Wetgeving

Beschermde status van de das dassenjacht

Na eeuwen van uitgraven, strikken, klemmen, vergiftigen, martelen, uitroken en doodschieten is de das sinds 1942 beschermd verklaard in de jachtwet.
Deze bescherming betekende, dat de jacht op de das doorlopend gesloten is.
Aanvankelijk bleef het mogelijk om toch een afschotvergunning te krijgen als er sprake was van ondermeer landbouwschade. In 1960 bleek dat de dassenjacht sinds 1942 niet was afgenomen, maar door vergunning gelegaliseerd, gewoon was doorgegaan. Dit was toen eindelijk aanleiding om de jacht definitief te sluiten. In de Natuurbeschertmingswet van 1967 werd de das wel beschermd, maar zijn leefgebied nog niet.

In 2003 is de Flora- en faunawet van kracht geworden .
In deze Flora en faunawet heeft de das een beschermde status en staat in de bijbehorende bijlage in tabel 3 (behorende bij artikel 75), wat betekent, dat de das en ook zijn burcht en directe leefomgeving streng beschermd zijn .
Beschermde dieren mogen niet worden gedood, gevangen of verontrust en het is niet toegestaan hun directe leefomgeving te beschadigen, vernielen of verstoren.
Ook is het verboden dassen te vervoeren, onder zich te hebben en uit te zetten (naar de letterlijk tekst verbodsartikelen).
Das&Boom heeft als opvangcentrum een ontheffing van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor deze 'verboden handelingen' om daarmee legaal dassen te kunnen opvangen en uitzetten.

De das staat op een doelsoortenlijst van het Ministerie van LNV. Dat betekent, dat de das vanwege zijn relatieve zeldzaamheid met prioriteit aandacht krijgt in het natuurbeleid .

In het Verdrag van Bern  (1982) wordt de das genoemd als soort van bijlage 3  (Convention on the Conservation of European Wildlife and Natural Habitats,  appendex III).
Dat betekent dat de das wordt aangemerkt als beschermde diersoort.
Deze Conventie van Bern is een internationaal verdrag  over  het behoud van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten en de daarbij behorende grensoverschrijdende natuurlijke leefmilieus (habitats) in Europa. Bijzondere aandacht wordt besteed aan kwetsbare soorten en aan soorten die met uitsterven worden bedreigd.

 

Afbeelding van de das uit 1550

Van schadelijk tot beschermd

Zoogdierbescherming in Nederland is betrekkelijk nieuw.
De eerste wetten, die iets regelden rond inheemse zoogdieren waren de jachtwetten.
De allereerste jachtwet van 1824 probeerde de wildstand,  die behoorlijk te lijden had gehad, weer op peil te brengen. Erg effectief was deze wet niet; in 1826 stierf de bever uit in en in 1869 sneuvelde de laatste wolf. De bescherming gold dan ook niet voor het zogeheten ‘roofwild’, als concurrent van de jager. De jacht op deze roofdieren werd zelfs met premies gestimuleerd.
Langzamerhand groeide het inzicht, dat sommige dieren ook ‘nuttig’ kunnen zijn en dat sommige soorten dus beschermd zouden moet worden, net als hun leefgebieden.

Nuttige dierenwet
In de Nuttige Dierenwet uit 1880 werden zoogdieren voor het eerst echt beschermd. Het ging echter alleen om  dieren, die nuttig werden geacht voor de landbouw. Dat gold niet voor de das. De oproep van sommige biologen om ook zeldzame en ‘merkwaardige’ dieren te beschermen kwam te vroeg.
De das werd tot dan toe enkel genoemd in de jachtwet en gold als ‘schadelijk wild’.
In 1942 werd de das samen met de boommarter en de otter gepromoveerd tot ‘pelswild’, waarmee de jacht op deze dieren gesloten werd.
Toch verleende de overheid tot 1960 regelmatig vergunningen voor het afschieten van dassen, onder meer als er sprake was van landbouwschade. In 1960 bleek dat de jacht op de das, door die vergunningen gelegaliseerd, gewoon was doorgegaan. Burchttellingen in 1958 en 1959 wezen uit, dat het zeer slecht gesteld was met de dassenpopulatie in Nederland. Vanaf 1960 werd de jacht op de das definitief gesloten.

De jachtwet van 1954 bood de overheid de mogelijkheid landbouwschade te vergoeden. Bovendien konden landbouwers een vergoeding krijgen voor het gedogen van burchten op hun land. Landbouwschade door dassen werd vanaf de jaren zestig opgelost, door dassen weg te vangen en ze te verplaatsen naar gebieden waar ze verdwenen waren.

Natuurbeschermingswet
Alle wetgeving rond inheemse dieren beschermde tot ver in de twintigste eeuw uiteindelijk alleen mensenbelangen. Pas in het Besluit Beschermde Inheemse Zoogdieren van 1973 (onderdeel van de Natuurbeschermingswet van 1967) werden inheemse dieren echt beschermd, onafhankelijk van het nut van zo’n dier voor mensen. Oorspronkelijk gold deze bescherming nog niet voor de das, die werd pas in 1994 samen met de Noorse woelmuis aan het rijtje toegevoegd. In de Natuurbeschermingswet was het doden, maar ook het verstoren van beschermde dieren strafbaar. In de Natuurbeschermingswet konden ook belangrijke gebieden worden aangewezen als natuurreservaat. Naar aanleiding van tegenvallende burchtinventarisaties in 1958 en 1959 stichtte Staatsbosbeheer in 1959 een dassenreservaat, de ‘Groeningse en Vortumse Bergjes’ in het Maasheggengebied.

Habitatrichtlijnen
In de jaren tachtig van de vorige eeuw ontwikkelde de Europese Unie richtlijnen voor de bescherming van diersoorten en leefgebieden.  Dit resulteerde in 1992 in de ´Habitatrichtlijn´, waarin de bescherming van natuurlijke en half-natuurlijke habitats (leefgebieden) centraal staat.
Gebieden, die in die richtlijnen een extra bescherming genieten, moeten uitgroeien tot een Europees netwerk van natuurgebieden, ‘Natura 2000’. Dit Europees netwerk lijkt op de Nederlandse Ecologische Hoofdstructuur, maar de Natura 2000 gebieden zijn veel strenger beschermd.

Flora en faunawet
De Europese natuurwetgeving is in Nederland qua soortbescherming uitgewerkt in de Flora- en Faunawet. Ook de zogenaamde intrinsieke waarde van dieren, dus de eigenwaarde, los van nut of eventuele schadelijkheid voor de mens, vormde de basis voor die pas in 2003 ingevoerde Flora en faunawet.
In de wet is bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden. Ook is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, zoals burchten, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.
De wet gaat uit van het "nee, tenzij "-beginsel. Beschermen staat voorop, ingrijpen is een uitzondering.

Ontheffingsmogelijkheden
Dat betekent echter niet, dat de das nu eindelijk met rust gelaten wordt.
In het steeds voller wordende Nederland moeten dassen nog steeds wijken voor onder meer stadsuitbreiding en nieuwe wegen.
In de Flora en faunawet wordt in artikel 75 geregeld, wanneer en onder welke voorwaarden van de verbodsbepaling mag worden afgeweken.
In een aan dat artikel gekoppelde Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB)  is sprake van drie maten van bescherming en ontheffingsmogelijkheden, weergegeven in drie tabellen.
De das geniet daarin de hoogst mogelijke bescherming (tabel 3). Er worden alleen ontheffingen verleend voor het verstoren van dassen, wanneer er ‘geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’, er ‘geen andere bevredigende oplossing bestaat’ of met het oog op ‘andere, bij AMvB aan te wijzen belangen’.

Beschermd tot in lengte van dagen?
In 2004 heeft Das&Boom weten te voorkomen, dat de beschermde status van de das gelijk zou worden gesteld aan die van de vos, die in tabel 1 van bovengenoemde AMvB staat.  Das&Boom heeft de toenmalige minister van LNV,  dhr. Veerman, ervan weten te overtuigen dat de das toch echt thuishoort in tabel 3.
De aan de indeling ten grondslag liggende kilometerhoktelling valt namelijk voor de das erg ongunstig uit, waardoor een vertekend beeld ontstaat over de presentie van de das. Bovendien kon Das&Boom  dhr. Veerman bij een bezoek duidelijk maken, dat de das een bijzonder sympathiek, maar ook tamelijk sullig dier is, die als het even tegen zit in zeven sloten tegelijk loopt en dus in ons overvolle landje tot in lengte van dagen beschermd zal moeten worden.
Dat zijn we zo langzamerhand toch wel aan de das verplicht

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Links

Vereniging voor Zoogdierkunde en
Zoogdierbescherming
(oa. uitgebreide informatie over
Natuurbeleid/Wetgeving)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Beschermingsartikelen van de Flora en faunawet

De das valt als beschermd inheems zoogdier onder de werking van art. 4 lid 1a van de Flora- en faunawet. Voor de bescherming van de das en zijn burcht zijn in eerste instantie artikel 2, 9, 10, 11, 68 en 75 van de Flora- en faunawet van belang.

Artikel 2.
1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.
2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora en fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen teneinde die gevolgen te voorkomen of, voorzover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Artikel 9.
Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Artikel 10.
Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Artikel 11.
Het is verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfpaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

 

Ontheffingverlening

Artikel 68.
1. Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, kunnen gedeputeerde staten, voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 18 en 72, vijfde lid:

  1. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;
  2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
  3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;
  4. ter voorkoming van schade aan flora en fauna of
  5. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen belangen.

2. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts verleend aan een faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 80, onderdeel e, worden ontheffingen als bedoeld in het eerste lid, verleend voor een periode van ten hoogste vijf jaren.

4. In afwijking van het tweede lid kan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, ook aan anderen dan een faunabeheereenheid worden verleend indien:

  1. de noodzaak ontbreekt voor een faunabeheerplan gelet op de soort dan wel de aard of omvang van de te verrichten handelingen;
  2. de noodzaak ontbreekt dat de te verrichten handelingen worden verricht door tussenkomst van een faunabeheereenheid;
  3. het gebied waar de handelingen worden verricht niet is gelegen in een gebied waarover zich de zorg van een faunabeheereenheid uitstrekt.

Artikel 75.
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, voor zover niet bij of krachtens enig ander van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, vrijstelling worden verleend van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18 bepaalde verboden.
2. Indien een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid strekt tot uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties, kan de vrijstelling bij ministeriële regeling worden verleend.
3. Onze minister kan, voor zover niet overeenkomstig artikel 68 van deze wet door gedeputeerde staten ontheffing is of kan worden verleend, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18, 50, 51, 52, 53, 58, 59, tweede lid, 64, tweede lid en 72, vijfde lid.
4. Vrijstellingen en ontheffingen worden, tenzij uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties noodzaakt tot het verlenen van vrijstelling of ontheffing om andere redenen, slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort:

    • ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie, alsmede voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten;
    • teneinde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal van bij die maatregel aan te wijzen soorten te vangen, te plukken of in bezit te hebben of
    • met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.
    • 5. Vrijstellingen kunnen in ieder geval verschillend worden vastgesteld naar gelang de soorten of categorieën van soorten en handelingen welke de vrijstelling betreffen. Voorts kan onderscheid worden gemaakt naar wilde of gekweekte planten of producten van die planten, en naar wilde of gefokte dieren dan wel eieren, nesten of producten van die dieren.

     

    Voorzorgsbeginsel

    In artikel 2 van de Flora- en faunawet komt het voorzorgsbeginsel aan bod. Indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat voorgenomen handelingen nadelig zijn voor flora of fauna dienen deze handelingen achterwege te blijven, tenzij alle maatregelen zijn getroffen die redelijkerwijs gevergd kunnen worden teneinde de schadelijke gevolgen voor flora of fauna te voorkomen, zo veel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Concreet houdt dit in dat in de voorbereiding van bestemmingsplannen en in de voorbereiding van werkzaamheden zoals bijvoorbeeld saneringen, bosbouwwerkzaamheden, de aanleg van pijp- of kabelleidingen, (spoor)wegen en waterwegen de opdrachtgever het te bewerken gebied laat inventariseren op natuurwaarden.

     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Praktische bescherming van een dassenburcht door de Flora en faunawet en ontheffings-mogelijkheden

Dassenburchten genieten een wettelijke bescherming: In de Flora- en faunawet heeft de das een beschermde status en staat in de bijbehorende bijlage in tabel 3 (behorende bij artikel 75), wat betekent, dat de das en ook zijn burcht en directe leefomgeving streng beschermd zijn. Het is niet dus toegestaan de burcht en directe leefomgeving van dassen te verstoren, beschadigen of vernielen.

 

Definitie van een dassenburcht

Een dassenburcht is een door een das gegraven of door een das in gebruik zijnd gangenstelsel van ondergrondse holen of iedere andere constructie die door de das in gebruik is. Dassen bewonen zeer traditiegetrouw hun burchten die duizenden jaren oud kunnen worden.

Een voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaats van dassen wordt gedefinieerd als een dassenburcht die tekenen draagt van recent gebruik door een das of een onbewoonde dassenburcht die tot maximaal vijf jaar geleden door een deskundige als bewoond is vastgesteld, indien de onbewoonde dassenburcht binnen een bestaand territorium is gelegen.

Onder tekenen van recent gebruik worden gerekend dassenprenten voor de ingang van holen, mestputjes in de directe omgeving van de dassenburcht, dassenharen op de dassenburcht, vers graafwerk, de aanwezigheid van nestmateriaal of sleepsporen van nestmateriaal op of in de directe omgeving van de dassenburcht.

 

In de praktijk is echter regelmatig sprake van andere belangen, die strijdig zijn met die beschermde status van dassenburchten.
Daarom heeft de wetgever een aantal mogelijkheden aangegeven om in bepaalde gevallen tot op zekere hoogte vrijstelling te verlenen voor de verbodsbepalingen in de Flora en Faunawet.
Zo biedt artikel 75 van de FF-wet het ministerie van EL&I de mogelijkheid om ontheffing te verlenen voor bepaalde verbodsartikelen, wanneer het gaat van zaken van groot maatschappelijk belang. In zo’n geval zal bijvoorbeeld een dassenburcht in een spoortalud moeten wijken in het belang van de verkeersveiligheid.
Daarnaast geeft artikel 68 van de FF-wet de provincie de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden ontheffingen af te geven wanneer er sprake is van overlast. Ook dan moet er sprake zijn van zwaarwegende maatschappelijke belangen en moet worden aangetoond dat de overlast op geen andere manier is op te lossen.

In dergelijke gevallen is voor dassen (tabel 3 AMvB artikel 75) een uitgebreide toets van toepassing. Deze houdt in dat mitigerende en compenserende maatregelen verplicht kunnen worden gesteld, om de overlast voor de betrokken dieren tot een minimum te beperken.
Ontheffingen worden alleen verleend als er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding.


In de genoemde artikelen van de FF-wet is de bescherming van de das alleen in algemene bewoordingen geregeld.
Hiermee is in de praktijk vaak moeilijk te werken. 
Daarom heeft
Das&Boom op basis van haar jarenlange ervaring praktische richtlijnen ontwikkeld om verstoring van dassenburchten in de praktijk te voorkomen en daarmee het overtreden van de FF-wet.
Deze richtlijnen zijn gebaseerd op de biologie van de das, zijn foerageergedrag en zijn sociaal gedrag.
Zo hebben dassen bijvoorbeeld een sterk ontwikkeld reukorgaan. Het betreden van dassenburchten en dassenwissels werkt dan ook verstorend voor dassen, omdat de daardoor ontstane geursporen lange tijd voor dassen waarneembaar zijn. Vooral op plekken waar dassen niet regelmatig met mensengeur geconfronteerd worden, werken menselijke geursporen verstorend.


Hieronder worden de verschillende vormen van verstoring van dassenburchten besproken en de daarbij behorende regelingen, te beginnen bij verstoring op de burcht zelf.

 

Het betreden van een dassenburcht
Het betreden van een dassenburcht en de directe omgeving veroorzaakt verstoring en is dus verboden.
Onder verstoring van een dassenburcht moet iedere handeling worden verstaan, die de bewoning van de burcht tijdelijk negatief beïnvloed dan wel negatieve invloed heeft op het ge­drag van haar bewoners, of waarvan redelijkerwijs aange­nomen kan worden dat de han­deling een dergelijke negatieve invloed kan hebben. Betreden van een dassenburcht levert veel overlast op voor de betrokken dassen, die door de achtergebleven geursporen dagenlang van streek kunnen raken. Dat laatste geldt ook voor het betreden van de wissels dicht bij de burcht.
Bij verstoring is dus geen sprake van totale vernieling van een burcht. Verstoring kan echter wel dodelij­ke gevolgen hebben voor één of meer bewoners van de burcht. Door de verstoring kunnen dassen op de vlucht slaan en eindigen als verkeersslachtoffer.

 

Boswerkzaamheden bij een dassenburcht
In het kader van ‘bestendig beheer’ kan het nodig zijn de directe omgeving van een burcht te betreden voor bijvoorbeeld dunnings-werkzaamheden.
Als dergelijke bosbouwwerkzaamheden gepland worden heeft de eigenaar de plicht (art. 2 FF-wet) kennis te hebben van bestaande natuurwaarden in het betreffende perceel. De eigenaar dient bij verstoring van beschermde inheemse diersoorten een ontheffing aan te vragen. In de praktijk betekent dit dat de opdrachtgever het perceel waar de werkzaamheden gaan plaatsvinden op natuurwaarden dient te (laten) onderzoeken.
Wanneer echter gebruik gemaakt word van de ‘Gedragscode Bosbeheer’, kan zo’n ontheffing achterwege blijven. In die gedragscode worden voorzorgsmaatregelen genoemd, die voorkomen dat er beschermde dieren verstoord worden en er dus gehandeld zou worden in strijd met artikel 2 van de FF-wet.
In de gedragscode moet melding gemaakt worden van alle in het terrein aanwezige natuurwaarden en op welke wijze deze worden ontzien.

Het uitvoeren van boswerkzaamheden met de Gedragscode Bosbeer betekend voor dassen dat:

Bovendien adviseert Das&Boom, dat

Voor de bescherming van dassen is het geleidelijk omvormen van productiebos op de dassenburcht naar natuurlijk bos dan wel het voeren van een hakhoutbeheer op de burchtlocatie verre te prefereren boven normaal bosbouwkundig beheer. Hierbij gelden als vanzelfsprekend dezelfde voorwaarden zoals hierboven al be­schreven ten aanzien van de periode, het machinegebruik evenals het niet beschadigen van holen en wissels of het blokkeren daarvan en met het zo kort mogelijk houden van de verstoringperiode. Indien mogelijk zou het omvormen van productiebos naar natuurlijk bos dan wel het uitvoeren van hakhoutbeheer gefaseerd plaats moeten vinden.

 

Burchtverstoring door landbouwwerkzaamheden
Verstoring van dassenburchten door normaal landbouwkundig gebruik behoort tot de meest voorkomende vormen van verstoring. In de meeste gevallen gaat het hier om dassenburchten die geheel of gedeeltelijk op landbouwpercelen gelegen zijn en door landbouwwerkzaamheden beschadigd (kunnen) raken. Onder verstoring en beschadiging valt dan onder meer bewerking van de burcht en haar directe omgeving met (landbouw)machines, betreding door vee en het uitrijden van mest.
Een grondgebruiker kan overtreding van de FF-wet voorkomen door met het  Faunafonds een gedoogovereenkomst af te sluiten. De grondgebruiker laat dan de dassenburcht met rust en wordt gecompenseerd door een jaarlijks vast te stellen schadevergoeding.
(zie ook : advies voorkomen dassenschade).

 

Burchtverstoring door jacht en recreatie
Iedere vorm van jacht op dassenburchten is verstorend. Dat geldt ook voor het bouwen van constructies ten behoeve van de jacht op of in de omgeving van dassenburchten. In ieder geval zou de mogelijkheid tot het bejagen van vossen (ontheffing via art. 68 of 75 Flora- en faunawet) op dassenburchten niet plaats mogen vinden van 1 december tot en met 31 juli met het oog op de noodzakelijke rust tijdens de reproductieperiode.

Bepaalde vormen van recreatie in de omgeving van dassenburchten kunnen zeer verstorend werken. Daarbij moet gedacht worden aan slipjachten, het opslaan van tentenkampen, fietsroutes, wandelroutes, ruiterpaden, speurtochten et cetera.
Bij recreatievormen in de nabijheid van dassenburchten moet verschil gemaakt worden tussen activiteiten gedurende de avond of nacht en overdag.