Wetgeving

Beschermde status van de das dassenjacht

Na eeuwen van uitgraven, strikken, klemmen, vergiftigen, martelen, uitroken en doodschieten is de das sinds 1942 beschermd verklaard in de jachtwet.
Deze bescherming betekende, dat de jacht op de das doorlopend gesloten is.
Aanvankelijk bleef het mogelijk om toch een afschotvergunning te krijgen als er sprake was van ondermeer landbouwschade. In 1960 bleek dat de dassenjacht sinds 1942 niet was afgenomen, maar door vergunning gelegaliseerd, gewoon was doorgegaan. Dit was toen eindelijk aanleiding om de jacht definitief te sluiten. In de Natuurbeschertmingswet van 1967 werd de das wel beschermd, maar zijn leefgebied nog niet.

In 2003 is de Flora- en faunawet van kracht geworden .
In deze Flora en faunawet heeft de das een beschermde status en staat in de bijbehorende bijlage in tabel 3 (behorende bij artikel 75), wat betekent, dat de das en ook zijn burcht en directe leefomgeving streng beschermd zijn .
Beschermde dieren mogen niet worden gedood, gevangen of verontrust en het is niet toegestaan hun directe leefomgeving te beschadigen, vernielen of verstoren.
Ook is het verboden dassen te vervoeren, onder zich te hebben en uit te zetten (naar de letterlijk tekst verbodsartikelen).
Das&Boom heeft als opvangcentrum een ontheffing van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor deze 'verboden handelingen' om daarmee legaal dassen te kunnen opvangen en uitzetten.

De das staat op een doelsoortenlijst van het Ministerie van LNV. Dat betekent, dat de das vanwege zijn relatieve zeldzaamheid met prioriteit aandacht krijgt in het natuurbeleid .

In het Verdrag van Bern  (1982) wordt de das genoemd als soort van bijlage 3  (Convention on the Conservation of European Wildlife and Natural Habitats,  appendex III).
Dat betekent dat de das wordt aangemerkt als beschermde diersoort.
Deze Conventie van Bern is een internationaal verdrag  over  het behoud van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten en de daarbij behorende grensoverschrijdende natuurlijke leefmilieus (habitats) in Europa. Bijzondere aandacht wordt besteed aan kwetsbare soorten en aan soorten die met uitsterven worden bedreigd.

 

Afbeelding van de das uit 1550

Van schadelijk tot beschermd

Zoogdierbescherming in Nederland is betrekkelijk nieuw.
De eerste wetten, die iets regelden rond inheemse zoogdieren waren de jachtwetten.
De allereerste jachtwet van 1824 probeerde de wildstand,  die behoorlijk te lijden had gehad, weer op peil te brengen. Erg effectief was deze wet niet; in 1826 stierf de bever uit in en in 1869 sneuvelde de laatste wolf. De bescherming gold dan ook niet voor het zogeheten ‘roofwild’, als concurrent van de jager. De jacht op deze roofdieren werd zelfs met premies gestimuleerd.
Langzamerhand groeide het inzicht, dat sommige dieren ook ‘nuttig’ kunnen zijn en dat sommige soorten dus beschermd zouden moet worden, net als hun leefgebieden.

Nuttige dierenwet
In de Nuttige Dierenwet uit 1880 werden zoogdieren voor het eerst echt beschermd. Het ging echter alleen om  dieren, die nuttig werden geacht voor de landbouw. Dat gold niet voor de das. De oproep van sommige biologen om ook zeldzame en ‘merkwaardige’ dieren te beschermen kwam te vroeg.
De das werd tot dan toe enkel genoemd in de jachtwet en gold als ‘schadelijk wild’.
In 1942 werd de das samen met de boommarter en de otter gepromoveerd tot ‘pelswild’, waarmee de jacht op deze dieren gesloten werd.
Toch verleende de overheid tot 1960 regelmatig vergunningen voor het afschieten van dassen, onder meer als er sprake was van landbouwschade. In 1960 bleek dat de jacht op de das, door die vergunningen gelegaliseerd, gewoon was doorgegaan. Burchttellingen in 1958 en 1959 wezen uit, dat het zeer slecht gesteld was met de dassenpopulatie in Nederland. Vanaf 1960 werd de jacht op de das definitief gesloten.

De jachtwet van 1954 bood de overheid de mogelijkheid landbouwschade te vergoeden. Bovendien konden landbouwers een vergoeding krijgen voor het gedogen van burchten op hun land. Landbouwschade door dassen werd vanaf de jaren zestig opgelost, door dassen weg te vangen en ze te verplaatsen naar gebieden waar ze verdwenen waren.

Natuurbeschermingswet
Alle wetgeving rond inheemse dieren beschermde tot ver in de twintigste eeuw uiteindelijk alleen mensenbelangen. Pas in het Besluit Beschermde Inheemse Zoogdieren van 1973 (onderdeel van de Natuurbeschermingswet van 1967) werden inheemse dieren echt beschermd, onafhankelijk van het nut van zo’n dier voor mensen. Oorspronkelijk gold deze bescherming nog niet voor de das, die werd pas in 1994 samen met de Noorse woelmuis aan het rijtje toegevoegd. In de Natuurbeschermingswet was het doden, maar ook het verstoren van beschermde dieren strafbaar. In de Natuurbeschermingswet konden ook belangrijke gebieden worden aangewezen als natuurreservaat. Naar aanleiding van tegenvallende burchtinventarisaties in 1958 en 1959 stichtte Staatsbosbeheer in 1959 een dassenreservaat, de ‘Groeningse en Vortumse Bergjes’ in het Maasheggengebied.

Habitatrichtlijnen
In de jaren tachtig van de vorige eeuw ontwikkelde de Europese Unie richtlijnen voor de bescherming van diersoorten en leefgebieden.  Dit resulteerde in 1992 in de ´Habitatrichtlijn´, waarin de bescherming van natuurlijke en half-natuurlijke habitats (leefgebieden) centraal staat.
Gebieden, die in die richtlijnen een extra bescherming genieten, moeten uitgroeien tot een Europees netwerk van natuurgebieden, ‘Natura 2000’. Dit Europees netwerk lijkt op de Nederlandse Ecologische Hoofdstructuur, maar de Natura 2000 gebieden zijn veel strenger beschermd.

Flora en faunawet
De Europese natuurwetgeving is in Nederland qua soortbescherming uitgewerkt in de Flora- en Faunawet. Ook de zogenaamde intrinsieke waarde van dieren, dus de eigenwaarde, los van nut of eventuele schadelijkheid voor de mens, vormde de basis voor die pas in 2003 ingevoerde Flora en faunawet.
In de wet is bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden. Ook is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, zoals burchten, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.
De wet gaat uit van het "nee, tenzij "-beginsel. Beschermen staat voorop, ingrijpen is een uitzondering.

Ontheffingsmogelijkheden
Dat betekent echter niet, dat de das nu eindelijk met rust gelaten wordt.
In het steeds voller wordende Nederland moeten dassen nog steeds wijken voor onder meer stadsuitbreiding en nieuwe wegen.
In de Flora en faunawet wordt in artikel 75 geregeld, wanneer en onder welke voorwaarden van de verbodsbepaling mag worden afgeweken.
In een aan dat artikel gekoppelde Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB)  is sprake van drie maten van bescherming en ontheffingsmogelijkheden, weergegeven in drie tabellen.
De das geniet daarin de hoogst mogelijke bescherming (tabel 3). Er worden alleen ontheffingen verleend voor het verstoren van dassen, wanneer er ‘geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’, er ‘geen andere bevredigende oplossing bestaat’ of met het oog op ‘andere, bij AMvB aan te wijzen belangen’.

Beschermd tot in lengte van dagen?
In 2004 heeft Das&Boom weten te voorkomen, dat de beschermde status van de das gelijk zou worden gesteld aan die van de vos, die in tabel 1 van bovengenoemde AMvB staat.  Das&Boom heeft de toenmalige minister van LNV,  dhr. Veerman, ervan weten te overtuigen dat de das toch echt thuishoort in tabel 3.
De aan de indeling ten grondslag liggende kilometerhoktelling valt namelijk voor de das erg ongunstig uit, waardoor een vertekend beeld ontstaat over de presentie van de das. Bovendien kon Das&Boom  dhr. Veerman bij een bezoek duidelijk maken, dat de das een bijzonder sympathiek, maar ook tamelijk sullig dier is, die als het even tegen zit in zeven sloten tegelijk loopt en dus in ons overvolle landje tot in lengte van dagen beschermd zal moeten worden.
Dat zijn we zo langzamerhand toch wel aan de das verplicht

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Links

Vereniging voor Zoogdierkunde en
Zoogdierbescherming
(oa. uitgebreide informatie over
Natuurbeleid/Wetgeving)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Beschermingsartikelen van de Flora en faunawet

De das valt als beschermd inheems zoogdier onder de werking van art. 4 lid 1a van de Flora- en faunawet. Voor de bescherming van de das en zijn burcht zijn in eerste instantie artikel 2, 9, 10, 11, 68 en 75 van de Flora- en faunawet van belang.

Artikel 2.
1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.
2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora en fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen teneinde die gevolgen te voorkomen of, voorzover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Artikel 9.
Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Artikel 10.
Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Artikel 11.
Het is verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfpaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

 

Ontheffingverlening
Artikel 68.
1. Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, kunnen gedeputeerde staten, voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 18 en 72, vijfde lid:

  1. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;
  2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
  3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;
  4. ter voorkoming van schade aan flora en fauna of
  5. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen belangen.

2. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts verleend aan een faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 80, onderdeel e, worden ontheffingen als bedoeld in het eerste lid, verleend voor een periode van ten hoogste vijf jaren.

4. In afwijking van het tweede lid kan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, ook aan anderen dan een faunabeheereenheid worden verleend indien:

  1. de noodzaak ontbreekt voor een faunabeheerplan gelet op de soort dan wel de aard of omvang van de te verrichten handelingen;
  2. de noodzaak ontbreekt dat de te verrichten handelingen worden verricht door tussenkomst van een faunabeheereenheid;
  3. het gebied waar de handelingen worden verricht niet is gelegen in een gebied waarover zich de zorg van een faunabeheereenheid uitstrekt.

5. Gedeputeerde staten maken besluiten als bedoeld in het eerste en vierde lid bekend in de Staatscourant alsmede in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze. Een afschrift van deze besluiten sturen zij aan Onze Minister.

Artikel 75.
1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, voor zover niet bij of krachtens enig ander van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, vrijstelling worden verleend van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18 bepaalde verboden.
2. Indien een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid strekt tot uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties, kan de vrijstelling bij ministeriële regeling worden verleend.
3. Onze minister kan, voor zover niet overeenkomstig artikel 68 van deze wet door gedeputeerde staten ontheffing is of kan worden verleend, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18, 50, 51, 52, 53, 58, 59, tweede lid, 64, tweede lid en 72, vijfde lid.
4. Vrijstellingen en ontheffingen worden, tenzij uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties noodzaakt tot het verlenen van vrijstelling of ontheffing om andere redenen, slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort:

    • ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie, alsmede voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten;
    • teneinde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal van bij die maatregel aan te wijzen soorten te vangen, te plukken of in bezit te hebben of
    • met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.
    • 5. Vrijstellingen kunnen in ieder geval verschillend worden vastgesteld naar gelang de soorten of categorieën van soorten en handelingen welke de vrijstelling betreffen. Voorts kan onderscheid worden gemaakt naar wilde of gekweekte planten of producten van die planten, en naar wilde of gefokte dieren dan wel eieren, nesten of producten van die dieren.

     

    Voorzorgsbeginsel

    In artikel 2 van de Flora- en faunawet komt het voorzorgsbeginsel aan bod. Indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat voorgenomen handelingen nadelig zijn voor flora of fauna dienen deze handelingen achterwege te blijven, tenzij alle maatregelen zijn getroffen die redelijkerwijs gevergd kunnen worden teneinde de schadelijke gevolgen voor flora of fauna te voorkomen, zo veel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Concreet houdt dit in dat in de voorbereiding van bestemmingsplannen en in de voorbereiding van werkzaamheden zoals bijvoorbeeld saneringen, bosbouwwerkzaamheden, de aanleg van pijp- of kabelleidingen, (spoor)wegen en waterwegen de opdrachtgever het te bewerken gebied laat inventariseren op natuurwaarden.

     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Praktische bescherming van een dassenburcht door de Flora en faunawet en ontheffings-mogelijkheden

In de Flora en faunawet is de bescherming van de das alleen in bovenstaande algemene bewoordingen geregeld.
Hiermee is in de praktijk vaak moeilijk te werken.
Daarom heeft Das&Boom op basis van haar ervaring en inzichten onderstaande praktische richtlijnen ontwikkeld, waarmee de beoogde bescherming van de das en zijn leefgebied praktisch uitvoerbaar wordt gemaakt.

1  Wetgeving en definities
     1.  Definitie van een dassenburcht

2  Vernieling van een dassenburcht
    2.1 Opheffing dassenburcht en verhuizing van de dieren binnen het eigen territorium
     2.2  Opheffing dassenburcht en verhuizing van de dieren buiten het eigen territorium

Verstoring en beschadiging van een dassenburcht
     3.1  Landbouwwerkzaamheden
     3.2  Bosbouwwerkzaamheden
     3.3  Jacht en Recreatie
     3.4  Planologische en overige verstoringvormen

 

 

1 Definitie van een dassenburcht

In de Flora- en faunawet zijn de holen, of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde inheemse dieren beschermd (art.11).
Dassen leven in dassenburchten. Een dassenburcht is een door een das gegraven of door een das in gebruik zijnd gangenstelsel van ondergrondse holen of iedere andere constructie die door de das in gebruik is. Dassen bewonen zeer traditiegetrouw hun burchten die duizenden jaren oud kunnen worden.

Een voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaats van dassen wordt gedefinieerd als een dassenburcht die tekenen draagt van recent gebruik door een das of een onbewoonde dassenburcht die tot maximaal vijf jaar geleden door een deskundige als bewoond is vastgesteld, indien de onbewoonde dassenburcht binnen een bestaand territorium is gelegen.

Onder tekenen van recent gebruik worden gerekend dassenprenten voor de ingang van holen, mestputjes in de directe omgeving van de dassenburcht, dassenharen op de dassenburcht, vers graafwerk, de aanwezigheid van nestmateriaal of sleepsporen van nestmateriaal op of in de directe omgeving van de dassenburcht.

 

2  Vernieling van een dassenburcht

Vernieling van een dassenburcht vindt plaats wanneer de gehele dassenburcht of een deel van de dassenburcht door werkzaamheden wordt vernield.
Indien voor voorgenomen werkzaamheden op een dassenburcht een ontheffing wordt aangevraagd dient de aanvraag aan artikel 11 getoetst te worden.
Een ontheffing voor artikel 11 met de mogelijkheid tot vernieling, beschadiging, of verstoring van een voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaats van dassen kan slechts verleend worden indien geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. In eerste instantie dient gezocht te worden naar een andere bevredigende oplossing. Indien deze niet wordt gevonden en voor artikel 11 een ontheffing verleend wordt, houdt dit echter niet automatisch in dat de dassenburcht vernield kan worden. Bij vernieling van een dassenburcht is het namelijk niet ondenkbaar dat daarbij dassen om het leven komen.
Artikel 9 verbiedt het doden van dassen. Een ontheffing voor artikel 9 met de mogelijkheid tot het doden van dassen kan slechts verleend worden indien geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. In veel gevallen zal in het aanbieden van een nieuwe burchtlocatie (bestaand of nieuw gemaakt), waarbij de dassen zich verplaatsen of verplaatst worden van de bestaande dassenburcht naar de nieuwe burchtlocatie, een bevredigende oplossing gevonden kunnen worden.

 

 

2.1  Opheffing dassenburcht en verhuizing van de dieren binnen het eigen territorium

Indien de aanwezigheid van een dassenburcht tot levensgevaarlijke situaties kan leiden voor mensen, zoals in het geval van burchten in spoordijken en waterkeringen, zal nie­mand de noodzaak van ver­huizing van dassen en het vervolgens opheffen van de dassenburcht betwisten. Voorts kan het gebeuren dat ten behoeve van een lokale ingreep, waarvan de nood­zaak is aange­toond en alle procedures zijn doorlopen, een ontheffing wordt verleend.

De volgende voorwaarden dienen aan een dergelijke ontheffingverlening te worden ver­bon­den.

De verplaatsing die altijd onder deskundige begeleiding dient te geschieden wordt uitsluitend on­dernomen binnen de periode van 1 augustus tot en met 31 december en niet alvo­rens te heb­ben gezorgd voor een alternatieve woonlocatie of het geschikt maken van een reeds be­staande burcht binnen hun eigen territorium, die de omvang, dekking en rust heeft om de dieren te herber­gen, bij voorkeur in de onmiddellijke nabijheid van de op te heffen burcht en altijd binnen een straal van ten hoogste 200 meter. Bij voorkeur wordt de op te heffen dassen­burcht uitgerasterd en voor­zien van dassenpoortjes die het verlaten toestaan maar terugke­ren beletten. Indien de dassen na 21 dagen nog steeds op de ingerasterde dassenburcht aanwezig zijn, dienen zij op een andere manier gevangen te worden bijvoorbeeld via uitgraven.
In geval van zeer dwin­gende omstandigheden de menselijke veiligheid aan­gaande en ver­traging niet acceptabel is, kan indien technisch mogelijk, besloten worden de dieren onder deskundige bege­leiding uit hun burcht te gra­ven. Beherende instanties van bijvoorbeeld spoortaluds, dijken en wegen dienen indien zij een nieuwe dassenburcht ontdekken in een vroeg stadium ontheffing aan te vragen en daarmee niet te wachten tot een situatie die (bijna) kritiek is geworden. In deze ontheffing worden dezelfde voorwaarden als hierboven opgenomen.

Het uitgraven kan uitsluitend plaatsvinden binnen de periode van 1 augustus tot en met 31 december. Indien geen natuurlijk onderkomen in de nabijheid voorhanden is, wordt in de onthef­fing de verplichting opgenomen deze te vervaardigen. De verstoring kan plaatsvinden, nadat alle bewoners van de burcht gegarandeerd opgevangen en verhuisd zijn. Deze garantie kan na een termijn van 21 dagen worden gegeven indien geen enkele activiteit van dassen op de locatie wordt waargenomen. De verstoring vindt onder deskundige begeleiding plaats.   

 

 

2.2  Opheffing dassenburcht en verhuizing van de dieren buiten het eigen territorium

Indien een project in uitvoering niet alleen de dassenburcht blijvend vernield maar ook betrekking heeft op het overgrote deel van het omringende voedselgebied, waardoor de dieren geen overlevingskansen meer hebben in het betreffende gebied en indien tevens alle beroepspro­cedures tegen het project hebben gefaald, dan staat geen andere keuze open dan de dieren te vangen en te verplaat­sen naar een nieuw, leeg territorium elders.
Verjagen en de dieren zelf een plek laten zoeken leidt in zo'n geval in de praktijk tot territoriale con­flic­ten tot de dood erop volgt. Immers de verjaagde dieren zelf zijn zowel burcht als voedselgebied kwijtgeraakt en andere dassenfamilies in de omgeving zijn niet in staat hen op te nemen. Bo­vendien hebben de dieren buiten hun eigen territorium een grote kans te sterven in het ver­keer of vast te lopen in stedelijke bebouwing.

Het tijdstip van vangen en verplaatsen dient uitsluitend gekozen te worden binnen de periode 1 augustus tot en met 31 december. De dieren moe­ten gevangen of uitgegraven worden onder deskundige begeleiding.
Ook vermeldt de ontheffing de plaats waarheen de dieren gebracht dienen te worden als­me­de de omstandigheden en de situatie waaronder ze dienen te worden losgelaten.
Ook hier geldt dat er gezorgd moet worden voor een leegstaande of kunstmatige burcht in een gegaran­deerd leeg territorium en in een gebied dat past binnen het herintroductie-/bijzet beleid van de over­heid.
Voorts dienen de dieren conform de richtlijnen "herintroductie dassen" als zodanig behan­deld te worden, dat wil zeggen: deugdelijke uitzet­ren, zes weken minimaal vasthouden; acht weken van voedsel voorzien. Zulks vanzelfsprekend op kosten van de initiatiefnemer door wiens project de verhuizing noodzake­lijk is gewor­den. Mogelijkerwijs is verplaatsing over korte afstand mogelijk indien de voed­selgebieden die verloren zijn gegaan in de directe nabij­heid gecompenseerd worden.
Overigens zou een al te gemakkelijk ver­plaat­singsbeleid een precedentwerking kunnen hebben met hele "volks­verhuizingen" als uit­einde­lijk resultaat. Dat is niet in de geest van de Flora- faunawet en strij­dig met het door de Tweede Kamer in 1985 aangenomen Dassenbe­leid dat uitgaat van het tegengaan van verdere inkrimping van het door dassen gebruikte areaal en gericht is op uitbreiding van dat areaal.

 

Verstoring en beschadiging van een dassenburcht

Onder verstoring van een dassenburcht moet iedere handeling verstaan worden die de bewoning van de burcht tijdelijk negatief beïnvloed dan wel negatieve invloed op het ge­drag van haar bewoners heeft, of waarvan redelijkerwijs aange­nomen kan worden dat de han­deling een dergelijke negatieve invloed hebben kan.
Bij verstoring is dus geen sprake van totale vernieling van een burcht. Verstoring kan echter wel dodelij­ke gevolgen hebben voor één of meer bewoners van de burcht.

 

3.1  Landbouwwerkzaamheden

Verstoring van dassenburchten door normaal landbouwkundig gebruik behoort tot de meest voorkomende vormen van verstoring. In de meeste gevallen gaat het hier om dassenburchten die geheel of gedeeltelijk op landbouwpercelen gelegen zijn en door landbouwwerkzaamheden beschadigd raken. Onder verstoring en beschadiging valt dan onder meer bewerking van de burcht en haar directe omgeving met (landbouw)machines, betreding door vee en het uitrijden van mest.

Indien dassen belangrijke schade aan gewassen veroorzaken, is het niet mogelijk een ontheffing op grond van artikel 68 aan te vragen. In deze gevallen kan in het licht van de Wet (art. 2 en art. 68 Flora- en faunawet), een andere bevredigende oplossing gevonden worden in de vorm van een schaderegeling of gedoogovereenkomst via het Faunafonds. Wanneer met betrekking tot de betreffende dassenburcht een gedoogovereenkomst is afgesloten, zijn beschadiging of verstoring van de dassenburcht niet te tolereren.

Indien een burcht zich bevindt in een oogstperceel en indien over de betreffende burcht geen gedoogovereenkomst is afgesloten, terwijl ook het bestaan van de burcht tot het mo­ment van oogst niet bekend was, is het de vraag of de Flora- en faunawet hierop van toepassing zou moeten zijn.
Een optreden tegen de agrariër op grond van de Flora- en faunawet zou in voorko­mende gevallen eerder een averechts gevolg kunnen hebben voor de bescherming van dassen en voor de benodigde gastvrijheid van agrariërs tegenover dit dier. Het is niet raadzaam de Flora- en faunawet in te zetten tegen gangbare agrarische bedrijfsvoering.
Anders ligt dit indien het een permanent bewoonde dassenburcht betreft waarover de agra­riër weigert een gedoogovereenkomst af te sluiten, ook na herhaald aandringen terwijl toch verstoring of beschadiging optreedt. In die gevallen dient de Flora- en faunawet toegepast te worden.

 

3.2  Bosbouwwerkzaamheden

Bosbouwwerkzaamheden kunnen eveneens tot verstoring van dassenburchten leiden. Een on­derscheid dient in eerste instantie gemaakt te worden tussen bossen in beheer bij de over­heid, die gezien haar eigen dassenbeleid sowieso het goede voorbeeld dient te geven en een particu­lier waarbij bereidwillige medewerking van belang is. Van natuurbeschermingsorganisaties zoals de provinciale landschappen, Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten kan verwacht worden dat zij de bescherming van beschermde inheemse diersoorten een hogere prioriteit geven dan bosbouwwerkzaamheden.

Als bosbouwwerkzaamheden gepland worden heeft de eigenaar de plicht (art. 2 Flora- en faunawet) kennis te hebben van bestaande natuurwaarden in het betreffende perceel. De eigenaar dient bij verstoring van beschermde inheemse diersoorten een ontheffing aan te vragen. In de praktijk betekent dit dat de opdrachtgever het perceel waar de werkzaamheden gaan plaatsvinden op natuurwaarden dient te (laten) onderzoeken.

Het vellen van bomen op dassenburchten heeft onder alle omstandigheden verstoring tot gevolg. Dat betekent dat voor bosbouwwerkzaamheden zoals dunning en kaalkap op dassenburchten, ontheffingen aangevraagd dienen te worden.
Bosbouwwerkzaamheden in de omgeving van dassenburchten kunnen zonder ontheffing plaatsvinden wanneer de werkzaamheden op een minimale afstand van 20 meter tot het meest nabijgelegen hol plaatsvinden
Als voorschrift voor de ontheffing geldt dat bosbouwwerkzaamheden op een dassenburcht uitsluitend plaatsvinden van 1 oktober tot en met 31 december en het gebruik van machines anders dan motorzagen niet is toegestaan dichter dan 20 meter van het meest nabijgelegen dassenhol.
Tijdens de werkzaamheden worden de holingangen en wissels niet beschadigd en/of onder (tak)hout bedolven.

In de ontheffing worden voorwaarden opgenomen die de ondergroei beschermen dan wel bij vernietiging van de ondergroei tot onmiddellijke herplant verplichten. Bomen op das­sen­burchten, indien van dien aard en om­vang dat de noodzaak tot oogst aangetoond kan wor­den, worden van de holen weg geveld en met behulp van een lier van de burcht ver­wijderd. De burcht en directe omgeving worden door het werk zo kort mogelijk aangedaan zodat de periode van verstoring zo kort mogelijk wordt gehouden.

Voor de bescherming van dassen is het geleidelijk omvormen van productiebos op de dassenburcht naar natuurlijk bos dan wel het voeren van een hakhoutbeheer op de burchtlocatie verre te prefereren boven normaal bosbouwkundig beheer. Hierbij gelden als vanzelfsprekend dezelfde voorwaarden zoals hierboven reeds be­schre­ven ten aanzien van de periode, het machinegebruik alsmede het niet beschadigen van holen en wissels of het blokkeren daarvan en met het zo kort mogelijk houden van de verstoringperiode. Indien mogelijk zou het omvormen van productiebos naar natuurlijk bos dan wel het uitvoeren van hakhoutbeheer gefaseerd plaats moeten vinden. Indien beheer op een dassenburcht uitgevoerd wordt met als doel een betere bescherming voor de das te bewerkstelligen zou de ontheffingverlening snel en soepel moeten worden afgewikkeld.

 

3.3  Jacht en Recreatie

Iedere vorm van jacht op dassenburchten is verstorend. Dat geldt ook voor het bouwen van constructies ten behoeve van de jacht op of in de omgeving van dassenburchten. In ieder geval zou de mogelijkheid tot het bejagen van vossen (ontheffing via art. 68 of 75 Flora- en faunawet) op dassenburchten niet plaats mogen vinden van 1 januari tot en met 31 juli met het oog op de noodzakelijke rust tijdens de reproductieperiode.
Bepaalde vormen van recreatie in de omgeving van dassenburchten kunnen zeer verstorend werken. Daarbij moet gedacht worden aan slipjachten, het opslaan van tentenkampen, fietsroutes, wandelroutes, ruiterpaden, speurtochten et cetera. Tussen recreatievormen in de nabijheid van dassenburchten moet verschil gemaakt worden tussen activiteiten gedurende de avond of nacht en overdag. Overdag dient bij recreatieve verstoringvormen een minimale afstand van 50 meter van de verstorende activiteit tot het meest nabijgelegen hol aangehouden te worden. Recreatie gedurende de nacht dient binnen natuurgebieden uitgesloten te worden. Mocht dit toch het geval zijn dan dient een afstand van minimaal 200 meter van de verstorende activiteit tot het meest nabijgelegen hol aangehouden te worden.

 

3.4 Planologische en overige verstoringvormen

Planologische en overige verstoringvormen hebben veelal betrekking op bouwactiviteiten of grondverzet in de ruimere omgeving van de burcht waaraan activiteiten zoals de aanleg van pijp- en kabelleidingen, saneringen, aan- en afvoer van bouwmaterialen, tijdelijke depots, grondboringen, verlichting en of vegetatieverwijde­ring op of direct rond de burcht gepaard kunnen gaan. Vaak zijn er voor deze activiteiten alternatieve locaties te vinden waardoor een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet niet noodzakelijk is. Mocht toch een ontheffing nodig zijn, dan dienen hieraan voorwaarden voor het tijdstip en de tijdsduur van de verstorende activiteit gesteld te worden en dienen routes tussen foerageergebied en woongebied na de werkzaamheden mogelijk zijn. Hierbij dient een strook van ten minste 100 meter breed tussen de dassenburcht en het foerageergebied open te blijven. Als richtlijn geldt dat bouwactiviteiten uitsluitend plaatsvinden van 1 augustus tot en met 31 december in verband met de hoogst noodzakelijke rust tijdens de reproduc­tieperiode.
Voorts dienen van zonsondergang tot zonsopgang activiteiten met een verstorende werking direct rond dassenburchten niet plaats te vinden. Onder "direct rond de burcht" moet in dit geval veiligheidshalve uitgegaan worden van minimaal vijftig meter van het meest nabijgelegen dassenhol. De route van de dassenburcht naar de voedselgronden dient gedurende de nacht door dassen gebruikt te kunnen worden.
De eigenaar van de percelen waar de werkzaamheden plaatsvinden of de opdrachtgever dienen voordat zij tot het uitvoeren van de werkzaamheden kunnen overgaan kennis te hebben over bepaalde natuurwaarden in de omgeving van de voorgenomen werkzaamheden (art. 2 FF-wet). Indien door de voorgenomen werkzaamheden inheemse beschermde diersoorten verstoord worden, dient voor deze verstoring een ontheffing aangevraagd te worden. In de praktijk betekent dit dat de opdrachtgever het voorgenomen traject op natuurwaarden dient te (laten) onderzoeken.
Tot slot geldt ook hier dat ontheffingen alleen dan dienen te worden afgegeven indien alle beroepsprocedures tegen de voorgenomen plannen waarvan een verstorende werking uit­gaat zijn doorlopen.