Hieronder vindt u reacties op de consultatie van EL&I over het wetsontwerp Wet Natuur

 

 

 

 

 

 

Formele reactie van de Stichting Das&Boom op het wetsontwerp Wet Natuur

28 oktober 2011

Geachte heer Bleker,

Inleiding
Bij brief van 6 oktober 2011 heeft u de stichting Das&Boom uitgenodigd om schriftelijk commentaar te leveren op het ontwerp van het wetsvoorstel voor de Wet Natuur (‘wetsvoorstel’) en de daarbij behorende memorie van toelichting. Namens de Stichting Das&Boom maak ik hierbij van deze gelegenheid gebruik, waarbij ik mij vooralsnog beperk tot enkele onderdelen van het wetsvoorstel die betrekking hebben op het beschermingsregime voor dier- en plantensoorten en hun leefgebieden. In uw brief stelt u namelijk dat het wetsvoorstel nauwkeurig en herkenbaar aansluit bij de internationale verplichtingen, terwijl dat inzake de soortenbescherming geenszins het geval blijkt te zijn. Hieronder wordt kort de kern van het commentaar van Das&Boom uiteengezet. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar bijlage 1 bij deze brief. Uitdrukkelijk behoud ik mij het recht voor om later nog aanvullend op het wetsvoorstel te reageren, waaronder in ieder geval op het schrappen van het regime voor beschermde natuurmonumenten en het ontbreken van afdoende handhavinginstrumenten.

Kern van het commentaar
Nederland heeft zich zowel in internationaal als in Europees verband gecommitteerd aan verplichtingen inzake soortenbescherming. Zo is Nederland partij bij het Biodiversiteitsverdrag, het Verdrag van Ramsar, het Verdrag van Bonn en het Verdrag van Bern en is Nederland gehouden aan de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Uit zowel de achterliggende doelstellingen van, als de concrete verplichtingen in al deze verdragen en richtlijnen, blijkt dat Nederland gehouden is de biodiversiteit in haar volle omvang en –daarmee- alle in Nederland voorkomende soorten en hun leefgebieden, te beschermen.
Aan het wetsvoorstel ligt dan ook een cruciale denkfout ten grondslag ten aanzien van de soortenbeschermingsverplichtingen waaraan Nederland zich in internationaal en Europees verband heeft gecommitteerd. Het wetsvoorstel gaat er namelijk –ten onrechte- vanuit dat slechts (de leefgebieden van) bepaalde soorten (actief) beschermd behoeven te worden. Ook worden taken op het gebied van soortenbescherming gedecentraliseerd, terwijl deze juist op landelijk niveau uitgevoerd zouden moeten worden.

Dat Nederland gehouden is alle in Nederland in het wild voorkomende dier- en plantensoorten en hun leefgebieden te beschermen komt in het Verdrag van Bern het meest concreet tot uitdrukking. Het Verdrag van Bern bepaalt dat Nederland (actief) de nodige maatregelen neemt om de populaties van alle soorten in levensvatbare (duurzame) staat van instandhouding te houden of brengen. Ook dient Nederland passende en noodzakelijk maatregelen te nemen in de vorm van wetten en voorschriften om de leefmilieus van alle in Nederland in het wild voorkomende dier- en plantensoorten te beschermen en om bedreigde natuurlijke leefmilieus in stand te houden. Voor bepaalde in de bijlage bij het verdrag genoemde soorten en hun leefmilieus geldt dat bijzondere aandacht en bescherming moet worden geboden. Voor deze strikt beschermde soorten geldt bovenop de algemene beschermingsverplichting derhalve nog een aanvullend beschermingsregime.

Niet alleen Nederland, maar ook de Europese Unie is partij bij het Verdrag van Bern. Dat betekent dat de Europese Unie gehouden is om het Verdrag van Bern om te zetten in Europees recht. Dat heeft zij gepoogd te doen door middel van de Vogel- en Habitatrichtlijnen, maar deze poging is helaas maar ten dele geslaagd. Zoals ook in de memorie van toelichting (p. 34 en 142/143) wordt erkend, dekken de richtlijnen de lading van het Verdrag van Bern namelijk niet geheel. Er bestaan zelfs grote verschillen, zowel ten aanzien van de te beschermen soorten en hun leefgebieden als ten aanzien van het beschermingsregime. Als Europese lidstaat is Nederland gehouden om de Vogel- en Habitatrichtlijnen om te zetten in nationaal recht. Voor zover de richtlijnen in overeenstemming zijn met het Verdrag van Bern, komt het Verdrag van Bern via deze richtlijnen, en vervolgens via de omzetting van deze richtlijnen in Nederlands recht, tot gelding. Daarbij geldt dat de richtlijnen altijd, zelfs op die punten waar zij letterlijk met het Verdrag van Bern overeenkomen, verdragsconform moeten worden geïnterpreteerd. Dit betekent dat Nederland bij de implementatie van de bepalingen van de Vogel- en Habitatrichtlijnen in nationaal recht, het Verdrag van Bern als uitgangspunt moet nemen. Het Verdrag van Bern moet, kortom, hoe dan ook in Nederlands recht worden omgezet. Een en ander betekent tevens dat (ook) de Habitatrichtlijnen Nederland verplicht om algemene bescherming te bieden aan alle soorten en daarnaast aanvullende bescherming aan bepaalde soorten. Een andere interpretatie van de Habitatrichtlijnen zou strijdig zijn met internationaal recht.

In het wetsvoorstel wordt echter alleen (en dan nog slechts gedeeltelijk) uitvoering gegeven aan de aanvullende beschermingsbepalingen uit het Verdrag van Bern (en de Habitatrichtlijn) terwijl de algemene  beschermingsverplichtingen uit het Verdrag van Bern (en de Habitatrichtlijnen) ten onrechte geen plek gekregen hebben in het wetsvoorstel. Voor wat betreft het aanvullend regime geldt voorts dat in het kader van de uitoefening van de bevoegdheid om ontheffingen en vrijstellingen te verlenen, getoetst wordt of overtreding van de verbodsbepalingen leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Of de staat van instandhouding in het geding is, is een vraag die op landelijk niveau moet worden beantwoord. Indien deze taken, zoals beoogd in het wetsvoorstel, echter worden gedecentraliseerd, is van een beoordeling op landelijk niveau geen sprake meer. Daarmee is het wetsvoorstel niet alleen strijdig met internationaal (en Europees) recht, maar ook desastreus voor een aanzienlijk aantal (nu nog) in Nederland voorkomende soorten. Met het wetsvoorstel worden namelijk de inspanningen die de afgelopen decennia, ook in financiële zin, zowel door de overheid als door maatschappelijke organisaties, burgers en bedrijven zijn gedaan om (ernstig) bedreigde diersoorten voor uitsterven in Nederland te behoeden, in één keer volledig ongedaan gemaakt. Dat de biodiversiteit, die in Nederland ondanks die inspanningen nog steeds afneemt, als gevolg van het wetsvoorstel nog verder achteruit zal hollen, behoeft dan ook geen nader betoog.

Conclusie
In een poging strikt aan te sluiten bij de internationale verplichtingen en de zogenaamde ‘nationale koppen te snellen’, voorziet het wetsvoorstel ten onrechte niet in omzetting van verschillende verplichtingen uit verdragen en richtlijnen ten aanzien van soortenbescherming.
Om aan deze verplichtingen te voldoen dienst het wetsvoorstel zodanig te worden aangepast dat alsnog invulling wordt gegeven aan de algemene beschermingsverplichtingen uit de genoemde verdagen en richtlijnen. Ook ten aanzien van de aanvullende beschermingsverplichtingen behoeft het wetsvoorstel enkele aanpassingen (zie nader de bijlage) om conform internationaal en Europees recht te zijn.

Stichting Das&Boom is van mening dat het wetsvoorstel, indien dit onverhoopt tot wet zou worden verheven, als onrechtmatige wetgeving gekwalificeerd dient te worden. Stichting Das&Boom verzoekt u dan ook om het voorstel voor de Wet Natuur en de daarbij behorende memorie van toelichting aan te passen met inachtneming van deze schriftelijke reactie alvorens deze aan de Raad van State voor te leggen.

download deze reactie van Das&Boom inclusief de bijlages

 

 

 

 

Bezwaar tegen de nieuwe Wet Natuur

EcoNatura Onderzoek voor Landschap & Natuur

Diepenveen, 8 november 2011

Geachte heer, mevrouw,

Hiermee teken ik bezwaar aan tegen de nieuwe wet Natuur, zoals geformuleerd in het nieuwe wetsontwerp. Ik doe dit vanuit de hoedanigheid van wetenschapper met specialisatie in natuurbeschermingsecologie (de internationale wetenschap van conservation ecology), met meer dan 30 jaar ervaring in ecologisch onderzoek en consulting.

Om maar met de deur in huis te vallen, in het nieuwe wetsvoorstel ontbreekt de ratio geheel! In tegenstelling tot wat de wet beoogt, onder meer een “betere balans tussen economie en ecologie”, zal de wet een versterkte uitholling van onze natuurlijk erfgoed bewerkstelligen! Zowel ecologie als economie worden onderuit gehaald.

De wet is beredeneerd vanuit de belangen van het neoliberalisme en de boerenlobby, niet vanuit het algemeen belang van natuur voor het leven op aarde (intrinsieke waarde) en daarmee ook het welzijn van mensen en de maatschappij. De wet zal daarmee dus niet democratisch zijn en vervult niet de obligaties die Nederland in het verleden aanging en zelfs aanmoedigde, in het bijzonder de Biodiversiteit Conventie en het natuurbehoud in Europa (bijv. als een van de grondleggers van de Ecologische Hoofdstructuur). De wet gaat voorbij aan de samenhang van ecologische systemen en het belang daarvan voor een gezonde biosfeer.

De Nederlandse natuur heeft al decennia lang te lijden onder de druk van industriële en agrarische ontwikkeling. Nederlandse ecosystemen zijn al sterk verarmd en verstard geraakt en de rek is er al lang uit. Ook de gedachte dat “economie moet groeien” loopt zeer spaak, zoals de huidige gebeurtenissen in de Wereld laten zien en dit behoeft geen verdere uitleg. Dit kan niet langer zo doorgaan! Veel plantenen diersoorten komen in Nederland al sterk verarmd voor of komen steeds meer in het gedrang door het zogenaamde salami‐effect’. Dit is het sluipenderwijs verdwijnen van soorten door cumulatieve ontwikkelingen; elke keer meer afbraak van natuur. Ik heb dit van jongs af aan zien gebeuren en diersoorten lokaal zien uitsterven, niet alleen in Nederland. De resterende natuur in Nederland overleeft steeds meer in de marge bij de gratie van ecologische veerkracht, maar daar zitten duidelijk limieten aan.

De Flora‐ en faunawet was al niet sterk. Ik ken de wet ten aanzien van diverse casussen zeer goed. Ik heb als ecologisch adviseur vanaf het begin van inwerkingtreding met de wet gewerkt, onder meer veel toetsingen en impact assessments uitgevoerd. Sindsdien heb ik veel gebreken gezien, vooral met
betrekking tot de effectiviteit van die wet. Belangrijke gebreken zijn:

1. Slechte wetenschappelijke onderbouwing (geen populatie‐ecologische of ‘conservation ecology’ als basis, zoals in veel moderne landen wel wordt gehanteerd).

2. Toetsing door diverse ecologische adviesbureaus is in veel opzichten ver beneden de maat.
Ecologische toetsing is een vrij beroep, maar dit heeft er toe geleid dat er een wildgroei is ontstaan aan ecologisch adviseurs. Daaronder veel zonder ervaring of een degelijk wetenschappelijke opleiding. Het ontbreekt bij veel ‘adviseurs’ aan gedegen veldkennis en inzicht in de integrale werking van ecosystemen (of systeemecologie). Daardoor wordt veel biodiversiteit letterlijk ‘weggeschreven’ in rapportjes zonder eniger vorm van controle, toezicht of ‘ecologische boekhouding’. Ondergetekende is bijvoorbeeld betrokken bij het geven van contra‐expertise, waarbij zelfs zeer gebrekkige advisering van zogenaamd ‘gerenommeerde’ ecologische adviesbureaus naar voren komt. Daarbij is handhaving van de Ff‐wet is in veel gevallen ronduit slecht of een papieren tijger te noemen. In de jurisprudentie kan een dergelijke weke basis voor grote ‘missers’ in de rechtsgang zorgen. Ik kan daar genoeg goede voorbeelden voor aandragen. De economie heeft dus al té veel speelruimte!

3. Er ontbreekt in de meeste gevallen een wetenschappelijke basis aan mitigatie en compensatieplannen. Men kiest veelal voor de weg van de minste weerstand; “een kastje voor een beestje verderop en alles komt goed” is vaak het devies. Dit heeft vaak echter geen enkele basis en er is geen toetsing van de effectiviteit lees ook geen ecologisch toezicht of boekhouding).

4. De internalisatie van ecologie binnen grijze adviesbureaus is zeer zorgelijk, niet alleen door gebrek aan ecologische advieskwaliteit, maar ook gezien de verstrengelde belangen. Ook hier ontbreekt onafhankelijk ecologische toezicht.

In ecologisch opzicht zijn er ook specifieke problemen aan te dragen. Zelf werk ik momenteel aan landschapsecologisch onderzoek naar marterachtigen. Ik ben als wetenschappelijk onderzoeker en bevordering van beschermingsonderzoek zeer actief binnen de Werkgroep Boommarter Nederland en de Werkgroep Kleine Marterachtigen. Met inwerkingtreding van de nieuwe wet zijn de verblijfplaatsen van soorten als das, boommarter, steenmarter en de andere kleine marterachtigen niet langer beschermt. Als advocaat voor onze roofdieren draag ik de volgende redenen voor juist
betere of aanscherping van bescherming aan, namelijk als volgt:

 De steenmarter wordt als het ware vogelvrij verklaard. Uit mijn onderzoek blijkt echter dat de steenmarter niet alleen in de stedelijke setting leeft maar ook in de landelijke. Waarom de steenmarter dan lichter zou moeten worden beschermd is onbegrijpelijk en slaat de plank compleet mis. Immers, de steenmarter vervult een even belangrijke ecologische rol als andere mesocarnivoren in Nederland, net als bijvoorbeeld de boommarter; het dier heeft evenveel bestaansrecht en daarmee hetzelfde beschermingsniveau als de gerelateerde boommarter!

 Eventuele ‘vervolging’ van de steenmarter houdt ook in dat de boommarter gevaar loopt. In ecologisch (ruimtelijk) opzicht en qua gedrag is er namelijk veel overlap tussen beide soorten.

 Met betrekking tot overlastbestrijding heeft het ‘vervolgen’ van de steenmarter geen enkel nut en is contraproductief. Wegvangen of in het ergste geval doden van steenmarters instabiliseert de populatie, waardoor de overlast terugkeert en zelfs kan verhevigen.

 Versoepeling van bescherming van de steenmarter is koren op de molen voor lieden die roofdieren liever kwijt dan rijk zijn. Onlangs was hier weer een goed voorbeeld van in Drenthe, waar 50 roofdieren zijn vergiftigd!

 Met kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) gaat het in Nederland slecht. In een het landschapsecologisch onderzoek van de ondergetekende komt naar voren dat deze soorten ten opzichte van de grote marterachtigen zeer dun bezaaid zijn, en op veel plaatsen ontbreken. Dit wordt ook ondervonden in andere Europese landen. Aan deze soortgroep wordt in Nederland amper onderzoek gewijd en de beschermingsstatus is onbekend. Opmerkelijk is het dan ook dat deze soorten in de huidige Flora‐ en faunawet in de ‘lichte beschermingscategorie’ staan, terwijl er genoeg reden tot zorg is om ze juist zwaarder en goed te beschermen.

 In het algemeen hebben onze roofdieren sterk te lijden onder de roofbouw van ons landschap, waaronder schaalverkleining van natuur, agrarische intensivering, recreatiedruk, habitatfragmentatie door steeds meer barrières (onder meer door meer en drukkere wegen, stedelijke uitbreiding en –inbreiding) en het uitblijven van robuuste verbindingen. Het ‘per ongeluk’ verstoren van roofdieren zoals de das heb ik ook al diverse keren meegemaakt.

 Uit actueel wetenschappelijk onderzoek over de hele Wereld blijkt dat roofdieren een cruciale rol spelen voor het onderhouden of weer laten ontstaan van vollediger en gezonderde ecosystemen. Daarvoor is ook meer ruimte voor natuur nodig.

Naast velerlei andere ecologische bezwaren met betrekking tot diverse soortgroepen en het belang van complete interactieve ecosystemen met zo volledig mogelijke planten‐ en diergemeenschappen voor een gezonde biosfeer, het tegengaan van klimaatverandering en voor educatie en gezondheid van
mensen ‐ vooral met oog op toekomstige generaties ‐ zijn er echter nog veel meer ethische en wetenschappelijke bezwaren aan te dragen.

Persoonlijk zie ik de nieuwe wet en het conservatieve natuurbeleid als een ondermijning van onze maatschappij. Het doet geen recht aan een cruciale waarde van deze planeet, namelijk de Natuur, die feitelijk hiermee geen enkele stem meer lijkt te hebben. Voor een ontwikkeld land als Nederland met
een voorbeeldfunctie is dit beschamend. Het ondergeschikt maken van de natuur aan economische belangen is ronduit crimineel en bedreigend voor de maatschappij te noemen. De afbraak van natuur door Minister Bleker is een door arrogantie gedreven, asociaal en irrationeel beleid, waarbij de Minister
duidelijk de belangen en onvrede van zijn eigen lobby naar voren schuift, bovendien hypocriet ten aanzien van zijn geloofsovertuiging. Het lijkt zeer op een wraakactie tegen links progressief beleid (linkse hobbies) en een reactie op het (terecht) aan banden leggen van de agrarische industrie. De boeren
hebben echter al genoeg verziekt; denk aan de naoorlogse ontginningen! Het wordt tijd dat we dat tij omkeren en natuur behouden en versterken in plaats van verder afbreken.

Het doorvoeren van dat beleid zal er toe leiden dat we in de toekomst verder van huis zijn. Toekomstige generaties (waaronder ook mijn kind!) komen met een enorme en onomkeerbare ecologisch schadelijke erfenis te zitten, die het leven in Nederland zal ‘verzuren’ en sterk aan banden zal leggen. De kwaliteit
van het leven breekt daarmee nog verder af. Een blik op de toekomst als gevolg van onder meer het actuele neoliberale beleid: een volgebouwd, grijs en stinkend Nederland, zonder natuur is een land zonder leven en zorgt voor meer depressies en uiteenval van de maatschappij. Ook de economie zal
uiteindelijk hiermee vastlopen of ondermijnd worden.

Het voorgestelde beleid staat tevens haaks op wat elders in de Wereld wordt nagestreefd om het actuele grote uitsterven van soorten, erosie van biodiversiteit en klimaatverandering tegen te gaan. Een gezonde en bufferende ecologie hebben we binnenkort nodig als de onder meer gevolgen van ‘peak oil’ en klimaatverandering zullen gaan aandringen. De kwaliteit van natuur is een belangrijke graadmeter voor ons eigen welzijn en geestelijke ontwikkeling!

Het criterium van het “niet opzettelijk” mogen doden van dieren, zal tevens de wet onderuithalen. Immers, het bewust verdringen van dieren (zoals thans al veelvuldig gebeurt) met bijvoorbeeld nog meer nieuwe villawijken, bedrijvenparken en snelwegen zal in veel gevallen leiden tot lokaal uitsterven van soorten. En feitelijk weten we nog helemaal niks weten over de lotgevallen in verband met cumulatieve ontwikkelingen. Aangezien diverse grijze ruimtelijke ontwikkelingen wel degelijk tot afbraak van natuur
lijdt, is er bij voorbaat en veelal sprake van “opzettelijk” doden. Dit impliceert dat het nieuwe natuurbeleid feitelijk strafbaar is!

Kortom, ik ben van mening dat de nieuwe natuurwet juist zou moeten worden aangescherpt met een betere bescherming van soorten, en dit met een betere wetenschappelijke basis en onafhankelijke toetsing en bevordering van ecologische duurzaamheid. Daarmee proactief inspelend op verandering
naar een duurzame ecologisering van de maatschappij, waaronder ook bevordering van een groene economie, die met doorgang van de nieuwe wet juist wordt bedreigd.

Hoogachtend,
Drs. E. van Maanen (BSc. Hons.)

reactie downloaden

 

 

 

Reactie voorstel Wet Natuur

Geachte mevrouw, heer,

 

Met toenemende plaatsvervangende schaamte las ik het wetsvoorstel en de toelichting Wet Natuur. Aan wetsvoorstel en toelichting valt naar mijn indruk de zeer forse kwalificatie “schaamteloos” toe te kennen. In mijn ambtelijke ervaring van meer dan drie decennia met kennisnemen van voorgenomen wetgeving kwam een dergelijke kwalificatie nimmer bij me op. Daarbij speelt vooral het besef een hoofdrol, dat onze generaties behoren tot de – vooral materieel – meest welvarende Nederlanders ooit en vrijwel zeker ook in de toekomst in relatie tot de voorgestelde vergaande aantasting van de natuur.

De gesignaleerde “schaamteloosheid” komt vooral ook tot uitdrukking in de keuze van de meest minimale bescherming van de natuur. Nederland kent een ecologische voetafdruk die zes keer groter is dan die van ons leefgebied. Het Europese gemiddelde ligt drie keer lager. In weerwil dat ons landgebruik van meer dan drie keer intensiever is dan het Europees gemiddelde, meent men in het ontwerp te kunnen volstaan met een bescherming van de meest minimale Europese minima.

Voor de Natura 2000-gebieden gelden uitsluitend nog instandhoudingsdoelstellingen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Instandhoudingsdoelstellingen die enkel nationaal zijn bepaald en ontleend zijn aan de doelen voor beschermde natuurmonumenten worden geschrapt.

dit terwijl:

Met deze ingezette lijn ziet men de eerdere erkenning van onze buitensporige belasting van natuur en milieu in de vorm van de noodzakelijke compensaties nu als een luxe. Zo is de uitstoot van de resten van de dagelijkse 38 miljoen liter (zo’n 1.250 tankwagens van 30 ton) aan brandstoffen door het wegverkeer – vooral ook in de vorm van stikstof – een enorme belasting van de natuur.

Vooral kwetsbare gebieden als heiden, stuifzanden en vennen zijn alleen in stand te houden met extra zorg en maatregelen. Het schrappen van de extra toegesneden beheerregimes vormt – naast de buitensporige bezuinigingen - een onverantwoorde ingreep. En vooral ook ten opzichte van komende generaties die met het nu voorgestane beleid unieke Nederlandse landschappen zullen moeten missen.

Deze zelfzuchtige houding komt zeker ook tot uitdrukking bij de beantwoording van de eerste vraag in de Internetconsultatie:

(1) Dragen de voorgestelde wijzigingen ten opzichte van de huidige natuurwetgeving bij aan de balans tussen ecologie en economie?

De laatste decennia werd – zeer terecht - aan natuur en natuurontwikkeling een topprioriteit toegekend. Op onderdelen soms zo zeer dat ook een natuurliefhebber voor enige overdaad vreesde. Maar in het algemeen zijn resultaten geboekt, waar met trots op terug gekeken kan worden. Nu treffen we in de voorgenomen wetgeving criteria aan als “benutten en oogsten” en diffuser “een gunstige staat van instandhouding” of wel “mits de betreffende soort niet uitsterft”. Het heeft er alle schijn van als dat het gebruik van dieren als productiemiddelen op een weerzinwekkende schaal in de bio-industrie, ook lijkt te mogen gelden voor de in de natuur levende dieren. Ondanks dat we nauwelijks 5% van de nationale wildconsumptie met inlands wild (kunnen) dekken, wil men nu ook de meest gekoesterde natuur – zonder inzichtelijke criteria en controle - aan intensieve bejaging blootstellen. En dat terwijl we in de bio-industrie al zoveel vlees produceren, dat dit een fors aandeel vormt van onze export. Vanuit deze optiek bezien, doet dit denken aan de gelijkenis die de profeet Natan - als beschreven in 2 Samuel 12 – voorhield aan koning David:

‘Er woonden eens twee mannen in dezelfde stad, een rijke en een arme. De rijke man had heel veel geiten, schapen en runderen, de arme man had niet meer dan één lammetje kunnen kopen. Hij koesterde het en het groeide bij hem op, samen met zijn kinderen. Het at van zijn brood en dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot; hij had het lief als een dochter. Op zekere dag kreeg de rijke man een gast op bezoek. Hij kon het niet over zijn hart verkrijgen om de reiziger een van zijn eigen geiten, schapen of runderen voor te zetten. Daarom nam hij het lammetje van de arme man en zette dat zijn gast voor.’

In weerwil van het benadrukken van de joods-christelijke cultuur met begrippen als zorg voor de schepping en rentmeesterschap meent men dat het gerechtvaardigd is, om de natuur – vaak terecht gezien als een nog meest oorspronkelijk onderdeel van de schepping – aan een meest maximale exploitatie te mogen blootstellen.

Een nauwelijks te beantwoorden vraag is de tweede, die de Internetconsultatie voorlegt:

(2) Is het voorliggende wetsvoorstel voor de praktijk duidelijk en uitvoerbaar?

Inzake praktijk en uitvoerbaarheid vallen vooral de reeks aan willekeurige keuzes op. Dat geldt zeker voor de provincies als meest geëigende schaalgrootte. Deze werd al snel ontkracht met het voorstel om drie provincies samen te voegen en zo een kwart van het Nederlands grondgebied te laten vormen. Maar zelfs een dergelijke maat blijkt te schuren met de maten, waarin de natuur zich tot aaneengesloten gebieden heeft gevormd. Daarom het volgende overzicht van deze willekeurigheid:

Vanwege de vorming van de meeste van onze provincies in de 15e eeuw waren de grenzen veelal natuurlijk barrières als rivieren, hoog- en laagvenen, moerassen en plassen, die nu juist vaak de meest waardevolle natuurgebieden vormen.

Hieruit blijkt dat deze keuze allerminst een belofte in zich draagt. In tegendeel, het is de keuze voor een maximaliseren van overleggen en stroperigheid. Van daar uit bezien zullen de al ingeboekte inverdieneffecten niet anders dan een ernstige misslag blijken.

Van een volledige beantwoorden van de vragen kan allerminst sprake zijn. Dat geldt ook voor de laatste vraag:

(3) Heeft u verder nog opmerkingen over de inhoud van het wetsvoorstel en de toelichting?

Voor zeer inhoudelijke benadering kies ik wel inzake het voorgestelde faunabeheer, waarbij de ingevoerde, maar nooit geëvalueerde – en in de praktijk aantoonbaar volstrekt contraproductieve - begrippen “populatiebeheer” en “schadebestrijding” een wettelijke status moeten krijgen.

Met een aantal opvolgende nota’s inzake het faunabeheer heb ik steeds gewezen op bedroevende ontwikkelingen inzake onze grootste in de natuur levende dieren. Daarbij gaat het om de in 2006 met nadruk geïntroduceerde begrippen als “populatiebeheer”, “schadebestrijding”, grootschalige toepassing met illegale middelen en methoden, de effecten daarvan, het ontbreken van inzichtelijke monitoring en publieke verantwoording.

Daarom het uitgebreide overzicht, dat in bijgaande brief aan deze inleiding is toegevoegd.

 

M.R. Vossestein,
voormalig voorzitter van de Natuurbeschermingscommissie van de KNNV, vereniging voor veldbiologie

Uitgebreide reactie downloaden

 

 

Bijdrage CDON voorstel Wet natuur

Geachte heer, mevrouw,

De Coalitie Dierenwelzijnsorganisaties Nederland (CDON) is niet in de gelegenheid gesteld om te reageren op het ambtelijk concept van de Wet natuur, noch om deel te nemen aan de maatschappelijke consultatie daarover, maar we zijn via enkele aangesloten organisaties wel van de ontwikkelingen op de hoogte gehouden. Het nu gepubliceerde voorstel is zo teleurstellend, dat we ook als coalitie menen te moeten reageren.

In deze reactie bepalen we ons vooral tot de visie van de opstellers van het wetsvoorstel op dieren, zoals die tussen de regels door te lezen valt. Het gaat hier om een in onze ogen zeer gebrekkige en in het geheel niet onderbouwde visie, die bovendien voorbijgaat aan de (normatieve) uitgangspunten van de Flora- en faunawet en van de eerder dit jaar in de Eerste Kamer aangenomen Wet dieren - in het bijzonder aan de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier.
Het is voor ons onbegrijpelijk dat twee wetten met verstrekkende gevolgen voor talloze dieren, afkomstig van hetzelfde ministerie, een dergelijk gebrek aan samenhang vertonen.

Bij de Wet natuur zoals nu voorgesteld, is het gevaar groot dat dit gebrek aan normatieve consistentie doorwerkt in de lagere regelgeving, omdat veel bevoegdheden aan de provincies worden gedelegeerd. Deze krijgen als (overigens niet onomstreden en aan veranderingen onderhevige) bestuurslaag weinig met de Wet dieren te maken; het is dus niet ondenkbeeldig dat zij niet op de hoogte zijn van de uitgangspunten en kernbegrippen van die wet, voor zover die mede betrekking hebben op in het wild levende dieren.

De samenhang tussen bepaalde uitgangspunten en artikelen van de Wet dieren en het onderhavige wetsvoorstel heeft ons inziens ook consequenties voor de bescherming van de (directe) leefomgeving van alle in Nederland in het wild levende dieren, zowel als voor de (concept-)regelgeving ter bescherming van van oorsprong wilde dieren die gehouden (mogen) worden. Op beide punten zullen we nader ingaan.

Daarnaast willen we enkele detailopmerkingen maken en vragen aan u voorleggen. We besluiten met een overzicht van concrete voorstellen tot aanpassing van het voorstel.

Verder verwijzen wij graag naar de inbreng van enkele organisaties die lid zijn van de CDON. We onderschrijven de standpunten van De Faunabescherming, bijvoorbeeld ten aanzien van de plezierjacht, en de standpunten van Stichting AAP, bijvoorbeeld ten aanzien van het houden van uitheemse zoogdieren.

Uiteraard zijn wij gaarne bereid een en ander nader toe te lichten.

Met vriendelijke groet,

 

Dirk-Jan Verdonk, voorzitter

 

download de gehele reactie van het CDON

 

 

Natuurorganisaties zijn het roerend eens:
Natuurwet moet terug naar tekentafel

 

Nederlandse natuur-, landschaps en dierenwelzijnsorganisaties roepen staatssecretaris Henk Bleker op zijn Wet natuur grondig te herzien. Met dit wetsvoorstel wordt decennia werken aan gericht natuurbeleid overboord gezet en wordt een schat aan natuurgebieden en plant- en diersoorten vogelvrij verklaard.

Wet natuur biedt geen bescherming voor Nederlandse soorten en gebieden
De meer dan veertig organisaties zijn verontwaardigd over het wetsvoorstel. Het voorstel gaat uit van de gedachte dat de natuur alleen beschermd hoeft te worden als Europa dat verplicht stelt. Europese regels bieden niet meer dan minimale bescherming. Het aantal diersoorten waarop gejaagd mag worden, wordt meer dan verdubbeld. Bijna 150 typisch Nederlandse plant- en diersoorten zijn straks niet langer wettelijk beschermd. Ruim 180 natuurgebieden staan onder druk. Het is bovendien sterk de vraag of Nederland met het schrappen van de nationale wettelijke bescherming kan voldoen aan zijn Europese en andere internationale verplichtingen.

Natuur is economie
De staatssecretaris suggereert ten onrechte dat er een onoverbrugbare tegenstelling bestaat tussen natuur en economie en dat de natuur economische ontwikkeling in de weg staat. Onderzoeken tonen keer op keer aan hoe economisch waardevol de Nederlandse natuur is. Denk maar aan het belang ervan voor bijvoorbeeld de toerisme- en recreatiesector, de visserij en het watermanagement. Nederland is een van de dichtstbevolkte landen ter wereld.  Een gezonde en gevarieerde leefomgeving is daarom noodzakelijk en een robuuste natuurbeschermingswet een vereiste.

Wet natuur is achteruitgang
De organisaties vinden het een goede zaak dat drie natuurwetten (de Natuurbeschermingswet, de Flora- en Faunawet en de Boswet) worden samengevoegd tot één wet, maar alleen als dat een verbetering zou betekenen. In werkelijkheid is sprake van achteruitgang, natuurbeleid wordt de nek omgedraaid. Zelfs aan minimale Europese verplichtingen wordt maar ten dele voldaan. De Nederlandse natuurbeschermingsorganisaties maken zich bovendien zorgen of de wet überhaupt te handhaven is.  

Een duidelijke en sterke natuurwet zal de economie juist stimuleren, omdat ondernemers weten waar ze aan toe zijn en kunnen investeren in de toekomst van hun bedrijf. Wij willen dat de natuur en haar kwetsbare dieren en planten in alle provincies van dezelfde bescherming genieten.  Het wetsvoorstel zoals dat voorligt zal juist zorgen voor willekeur, onduidelijkheid en daardoor onzekerheid.

De natuurorganisaties die deze gemeenschappelijke brief hebben ondertekend, hebben ook individueel commentaar geleverd op het wetsvoorstel. Naar verwachting bespreekt de Tweede Kamer de Wet natuur in het voorjaar van 2012.

 


CDON
De 12Landschappen
De Natuur en Milieufederaties
De Vlinderstichting
EIS
Floron
Goois Natuurreservaat
Greenpeace
IUCN
KNNV
Landschapsbeheer Nederland
Natuurmonumenten
Milieudefensie
RAVON
Soortenbescherming Nederland
Stichting De Noordzee
Stichting Duinbehoud
Unie van Bosgroepen
Vogelbescherming Nederland
Waddenvereniging
Wereld Natuur Fonds
Zoogdiervereniging

download de gehele reactie van bovenstaande organisaties