Das&Boom Das&Boom KIDS!
Permanente ruimtelijke- en overige ingrepen in dassenleefgebied
Ecologische overwegingen

Vanuit het streven een dassenpopulatie te verkrijgen met optimale dichtheden en verspreiding, zijn negatieve ingrepen in het leefgebied van de das ongewenst.
Die optimale dichtheid van de dassenpopulatie wordt deels bepaald door de aanwezigheid van landschapselementen en het voedselaanbod van het foerageergebied.

De lokaal nagestreefde gunstige staat van instandhouding van de das wordt aangetast, wanneer de ruimtelijke mogelijkheden voor verspreiding van de das doorbroken, verbrokkeld of verkleind worden.
Dat gebeurt onder meer wanneer;

de ecologische functionaliteit van dassenburchten wordt aangetast, bijvoorbeeld door verstoring of aantasting van de dekking op of rond de burcht.
het foerageergebied verslechterd of verkleind wordt.
wanneer de toegankelijkheid van het foerageergebied verslechtert, bijvoorbeeld door het verdwijnen van geleidende elementen zoals houtwallen of hagen.
er wegen worden aangelegd zonder voorzieningen die dassen beschermen tegen het verkeer.
een gekartelde bosrand wordt vol geplant.
een gevarieerd voedselaanbod voor de das onbereikbaar wordt door monocultuur.
er onvoldoende jaarrond voedselaanbod (bemest grasland) overblijft in de directe omgeving van een hoofdburcht (binnen 500m).
er barrières, zoals wegen of waterwegen, worden gecreëerd, die lokale dassenpopulaties isoleren van andere activiteiten plaatsvinden, die leiden tot kwaliteitsverlies van het leefgebied als voedselbron.

Op deze webpagina wordt een aantal veel voorkomende situaties en activiteiten beschreven, waarbij sprake is van strijdige belangen tussen mens en dier, in dit geval mens en das.
Per activiteit worden de ecologische en de juridische componenten vanuit het gezichtspunt van de Wet natuurbescherming behandeld, gevolgd door een aanbeveling.



Wanneer door ingrepen het leefgebied van de das verslechterd of gereduceerd wordt, kan dat alleen toegestaan worden, wanneer er voldoende leefgebied overblijft om aan de hiervoor genoemde doelstellingen te kunnen blijven voldoen.
Wanneer dat niet het geval is, zal de ingreep niet kunnen plaats vinden of zal er moeten worden gecompenseerd.

Voor een hoofdburcht is het van essentieel belang, dat er binnen een straal van 500 meter (zie hiernaast) voldoende voedselaanbod (primair voedselgebied zoals grasland met voldoende aanbod van regenwormen) en beschutting aanwezig is (blijft). Omdat elke (hoofd)burcht als kraamburcht gebruikt kan worden, moeten de eisen, die aan kraamburchten gesteld worden, gelden voor alle (hoofd)burchten.

Omdat een das tijdens de voortplantingsperiode (december tot en met juni) aan de kraamburcht gebonden is, is het voor het garanderen van de voortplantingsfunctie van die kraamburcht noodzakelijk, dat er in de directe nabijheid voldoende voedsel beschikbaar is. De optimale voortplantingsmogelijkheden van een dassenfamilie zijn van cruciaal belang om te kunnen overleven.
Voor de lokale gunstige staat van instandhouding zijn de foerageermogelijkheden binnen een straal van 500 meter dus van groot belang.








Deze norm van 500 meter wordt onderbouwd in Hoogerwerf, Drs. G., Methodiek Natuurcompensatie Limburg, en is terug te vinden in overheidsbesluiten, zoals ANW in advies 30-9-2016: "Wanneer voedsel limiterend wordt (globaal in de kraam- en zoogperiode vanaf december tot medio juni) dan zijn de graslanden van belang. Omdat het een kraamburcht betreft moeten die graslanden op relatief korte afstand (maximaal 500 m) van de burcht gelegen zijn" , en RVO Aanvraagnummer FF/75C/2013/0248 .toek.jb: "Deze hoofdburcht fungeert ook als kraamburcht voor de das en ligt op 500 meter van het plangebied. " "Voor het functioneren van de burchtlocatie is het van belang dat er jaarrond binnen circa 500 m een grote variatie aan voedsel en beschutting aanwezig is."








Ruimtelijke ingrepen op of in de leefomgeving van een dassenburcht zijn een bedreiging voor de functionaliteit als voortplantings- en rustplaats.
In sommige gevallen kunnen mitigerende of compenserende maatregelen de negatieve gevolgen voor de dassenfamilie verzachten.
Alleen wanneer dat onmogelijk is kan er sprake zijn van het verhuizen van de dassenpopulatie naar een alternatieve locatie.
Dassen kunnen passief verhuisd worden, wanneer er in de directe omgeving van de burcht binnen het territorium een onbewoond alternatief aanwezig is.

Passief verhuizen is wezenlijk iets anders dan verjagen, waarbij de oorspronkelijke woonplek van de dassen verloren gaat voordat duidelijk is of een alternatieve locatie daadwerkelijk door de dassen gebruikt wordt.
In alle andere gevallen zullen de dassen actief verplaatst moeten worden, dat wil zeggen, vangen en verhuizen naar een nieuwe locatie in een geschikt leefgebied .

In de Gedragscode Bosbeheer wordt geadviseerd om bij regulier onderhoud binnen een straal van 20 meter van een dassenburcht (20 meter vanaf de dichtstbijzijnde pijp) bomen en ondergroei zoveel mogelijk te sparen.
Om de ecologische functionaliteit van die burcht te waarborgen zou aanvullend moeten worden geadviseerd om bij grootschalige kap naast het behouden van de ondergroei, die de das bescherming biedt (ondergroei rond de wissels) in een straal van 50 meter rondom de burcht niet te kappen. Bovendien voorkomt dit dat bomen die plots in de volle wind komen te staan omwaaien.



Juridische overwegingen


Bij permanente ruimtelijke- en overige ingrepen in dassenleefgebied, gelden dezelfde juridische overwegingen over de ecologische functionaliteit als die bij incidentele ingrepen in dassenleefgebied.

Op basis van de bepalingen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming moeten ingrepen in dassenleefgebied, waarvan vermoed kan worden dat deze nadelige gevolgen kunnen hebben voor dassen achterwege gelaten worden, of indien dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd, moeten de noodzakelijke maatregelen getroffen worden om die nadelige gevolgen te voorkomen, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, moeten deze zoveel mogelijk worden beperkt of ongedaan gemaakt worden.

Voor ruimtelijke of overige ingrepen die de ecologische functionaliteit van dassenburchten bedreigen, is een ontheffing nodig van bepalingen van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 betrekt in de overtreding ook het daarop volgende gebruik na een ingreep.

Het afgeven van ontheffingen is in de meeste gevallen niet te verenigen met de voorwaarde genoemd in art. 3.8, lid 5, onder c, namelijk het streven de populatie in een gunstige staat van instandhouding te houden.
Daarom kan - als er sprake is van één van de in artikel 3.8, lid 5, onder b genoemde wettelijke belangen en er geen andere bevredigende oplossing is (voorwaarde artikel 3.8, lid 5, onder a) – alleen een ontheffing worden verleend voor een ingreep, als er mogelijkheden zijn de negatieve gevolgen voor de das te voorkómen. De negatieve gevolgen van de ingreep moeten dan gecompenseerd worden. Hierbij is van belang dat de ecologische functionaliteit op geen enkel moment, ook niet tijdelijk, aangetast wordt. Aantasten kan namelijk betekenen dat de functie na verloop van tijd verloren kan gaan (zie juridische overwegingen incidentele ingrepen).
Wanneer compensatie onmogelijk is kan de permanente ruimtelijke- of overige ingreep niet plaatsvinden. Das & Boom pleit ervoor pas over te gaan tot verhuizen van een dassenfamilie als de permanente ruimtelijke- of overige ingreep een dwingende reden van groot openbaar belang betreft.



Aanbevelingen ruimtelijke ingrepen


Provincies moeten bij de afweging van mensenbelangen en dassenbelangen in dassenleefgebied uit gaan van het streven de das in een lokaal gunstige staat van instandhouding te brengen en te houden en dassenleefgebied tegen aantasting te beschermen.
Het streven de lokale dassenpopulatie in een gunstige staat van instandhouding te behouden betekent, dat verslechteringen in elk territorium van dassenfamilies voorkomen moeten worden .
Bij ruimtelijke ingrepen in dassenleefgebied moet altijd een natuurtoets plaatsvinden.
Binnen een straal van 500 meter van een dassenhoofdburcht moet voldoende primair foerageergebied (bemest grasland) beschikbaar en toegankelijk zijn.
Alleen wanneer er sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang, er geen alternatieve mogelijkheden zijn en de negatieve gevolgen van een ruimtelijk ingreep niet kunnen worden gemitigeerd of gecompenseerd, kan een dassenfamilie worden verhuisd.
Om de significante sterfte door verkeer in de dassenpopulatie beheersbaar te houden, moeten er bij alle nieuwe wegen en waterwegen, die leefgebied doorsnijden, verkeersvoorzieningen worden aangebracht (voorkomen versnippering van het leefgebied).
Bij grote knelpunten (meerdere slachtoffers op één locatie) moeten ook bij bestaande wegen en waterwegen verkeersvoorzieningen worden aangebracht.
Bestaande dassenvoorzieningen zoals rasters en tunnels moeten functioneel blijven middels het plegen van noodzakelijk onderhoud (o.a. voorkomen dichtgroeien toegangsroutes), het uitvoeren van noodzakelijke reparaties en door het waarborgen van de toegankelijkheid. De overheid heeft hierin een voorbeeldfunctie.
Mitigerende en compenserende maatregelen, die in ontheffingen worden opgelegd, moeten functioneel zijn op het moment dat de das deze voorzieningen moet gaat gebruiken.
Bij regulier onderhoud rond dassenburchten moet de ecologische functionaliteit gewaarborgd blijven door de daarvoor noodzakelijke landschapselementen als bomen en hagen ruim (minimaal 50 meter) rond de burcht te behouden.


terug naar 'Advies over uitvoering Wet natuurbescherming in de praktijk'

REALISATIE: SITEWISE WEBMEDIA