De Das

 

De das

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De das is ons grootse inheemse landroofdier en behoort tot de familie van de marterachtigen. Zijn veel kleinere familieleden in Nederland zijn de steenmarter, de boommarter, de bunzing, de hermelijn en de wezel.
Veel mensen  hebben nog nooit van een das gehoord, laat staan dat ze er een gezien hebben. De meeste dassen die worden gezien zijn verkeerslachtoffers die in de berm naast de weg liggen.
De das is een markante verschijning, met zijn fraaie zwart/wit getekend kop. Door zijn levenswijze en sprookjesachtig voorkomen speelt de das vaak in rol in sprookjes, sages, fabels en kinderverhalen. Daarin speelt de das altijd een aardige lobbes, een trouwe vriend of een redder in nood.
In werkelijkheid is het een niet al te slim, onaangepast dier, dat zich desondanks tot op heden staande heeft weten te houden, gedurende eeuwen van wrede vervolging en steeds verder gaande versnippering en veranderingen in zijn leefomgeving.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uiterlijk


De das is een voor Nederlandse begrippen groot dier, met een karakteristieke zwart/wit tekening op zijn kop. Onderlinge verschillen zijn er nauwelijks. Het is een sterk, gedrongen gebouwd dier, met korte sterke poten. Zijn lichaamsbouw doet denken aan zijn vroegere landgenoot de bruine beer. Ook zijn manier van lopen, een karakteristiek hobbelgangetje, is praktisch hetzelfde. Ze zijn beide zoolgangers. De das heeft aan de dassen voorpootvoorpoten vijf lange nagels, aan de achterpoten vijf korte.

De poten, borst en onderbuik hebben kortere zwart/bruine haren, op de rug groeien lange stugge dekharen met daaronder een donzen ondervacht. De zwart/wit gekleurde dekharen geven de das een overwegend grijs uiterlijk.
Een mannetjes das is in het veld moeilijk te onderscheiden van een vrouwtje. Zijn kop is iets breder en zijn staart wat dunner. Een vrouwtje heeft een fraaie pluimstaart, waarmee ze haar jongen achter zich aan loodst.

Een jonge das is te herkennen aan het formaat en het vaak speelse gedrag. Een jaarling (één jaar oud) is te herkennen aan de gave vacht en de smetteloze witte banen bij de kop.

 

Even wat feiten op een rijtje:

Das – Meles meles
Badger (Engels), der Dachs (Duits) , le blaireau (Frans)

lengte 70 - 80 centimeter (kopromp lengte)
lengte van de staart 12 - 19 cm
gewicht mannetjes das 9 - 17 kg
gewicht vrouwtjes das 7 - 14 kg

De zwaarste das, voor zover bekend, is in 2007 gevonden als verkeerslachtoffer in Zuid Limburg. Het dier woog 22 kg, maar dat is uitzonderlijk.

In de zomer en herfst bouwen de dassen een onderhuidse vetlaag op, om de winter door te komen. Tegen de winter zijn dassen dan ook zwaarder dan in de lente, wanneer deze vetlaag grotendeels opgesoupeerd is. 

Een das kan wel vijftien jaar oud worden, maar in Nederland ligt de gemiddelde leeftijd rond de vijf jaar. Dit komt voornamelijk door het relatief grote aantal dassen dat jaarlijks sneuvelt in het verkeer.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verspreiding

 

 

 

 

 

 

 

 

Zoals al op bovenstaand kaartje te zien is, is de verspreiding van de das altijd beperkt gebleven tot bepaalde gebieden. Laaggelegen provincies, zoals bijvoorbeeld Zuid Holland en Zeeland hebben de das niets te bieden.
Met name in Oost Nederland liggen wel geschikte gebieden:

  • Het heuvelachtige mergelland in Zuid Limburg is een waar eldorado voor dassen. Graften, hellingbossen, taluds van holle wegen en droogdalen zijn ideale locaties om dassenburchten aan te leggen en bieden veel en gevarieerd voedsel.

  • Stuwwallenlandschappen zijn bij dassen ook zeer in trek. Bekende stuwwallen zijn de heuvelrug tussen Nijmegen en Kleve, de Veluwezoom, de Utrechtse Heuvelrug en het Montferland. Maar ook Gaasterland en bijvoorbeeld de Lochemse Berg behoren tot dit landschapstype. Wanneer er zich bij de voet van de stuwwallen voedselrijke gronden, of op de stuwwal landbouwenclaves bevinden, heeft dit landschap de das veel te bieden.
  • Oude rivier- en stuifduinen vormen het derde belangrijke landschapstype. Met name langs de Maas treffen we rivierduinen aan, die ook tijdens overstromingen een veilige thuishaven  bieden. Extra aantrekkelijk zijn ze door hun strategische ligging in of nabij uiterwaarden. Stuifduinen zijn meestal iets minder gunstig als vestigingsplaats, omdat voedselrijke cultuurgrond er vaak ontbreekt. Voorbeelden van wel bewoonbare stuifduincomplexen zijn de Maasduinen, de Overloonse Duinen en de Drunense Duinen.
  • Ook het beekdalenlandschap kan een excellent dassenleefgebied bieden. Voorbeelden hiervan zijn gebieden rond de riviertjes de Swalm in Limburg , de Dommel in Noord Brabant, de Aaltense en Groenlosche Slinge in Gelderland en de Twinckelse Beek in Overijssel.
  • Ten slotte zijn er gebieden, die door de mens geschikt zijn gemaakt voor dassen, door er houtwallen, rabatten, dijken en esakkers met bijbehorende eswallen aan te leggen. De dassen benutten daarbij het reliëf om hun burchten in uit te graven.
    Ook door het verdrogen van oorspronkelijk natte gebeiden kon de dassenpopulatie zich uitbreiden, zoals bijvoorbeeld de Maashorst en de Peel.

 

 

Dassen geven de voorkeur aan hoog en droog gelegen woonplaatsen. De afstand naar grazige beekdalen, rivieruiterwaarden of andere voedselgebieden mag niet te groot zijn.
Ze houden van een kleinschalig weide- of akkerlandschap bij bosranden of houtwallen, maar ook in meer open terreinen, zoals heidevelden komen dassen voor.
Het landschap moet voldoende dekking en voldoende voedselaanbod bieden en, als het even kan, zo weinig mogelijk verstoring. Bij dat laatste criterium zal in Nederland het nodige water bij de wijn moeten; er zijn vrijwel geen dassenterritoria, die niet worden doorsneden door wegen, of op zijn minst in de nabijheid liggen van wegen, dorpen of steden.

In de eerste helft van de vorige eeuw is op grote schaal jacht gemaakt op Nederlandse dassen. De stand daalde van meer dan 12.000 in 1900 naar ongeveer 1200 in 1960. In 1947 is de das onder bescherming van de Jachtwet gebracht. Daarmee werd de dassenjacht stilgelegd. Alleen in geval van schade verleende de overheid een speciale vergunning om dassen te doden. Daarvan werd tot 1960 evenwel gretig gebruik gemaakt. In dat jaar stopte de overheid met de verstrekking van dergelijke vergunningen. In 1980 waren er in heel Nederland nog steeds maar 1200 dassen. Het groeiende autoverkeer zorgde voor steeds meer verkeerslachtoffers, en steeds meer leefgebieden werden vernietigd.

Op initiatief van Das&Boom heeft de rijksoverheid toen een beschermingsplan opgesteld om de das voor uitsterven te behoeden. Voorlopig lijkt dat gelukt. Das&Boom houdt regelmatig een landelijke 'volkstelling' onder de dassen. In 2006 wonen er weer circa 4500 dassen in Nederland

 

 

 



.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voedsel

 

 

 

 

 

 

Dassen zijn alleseters, anders dan zijn zeer krachtige kaken zouden doen vermoeden. Want daarin lijkt hij op wolven of beren, die hun prooi met grote kracht en vasthoudendheid moeten overmeesteren. Voor zijn hoofdvoedsel, regenwormen, insecten, slakken, bessen en graan, lijkt die geweldige bijtkracht tamelijk overdreven.
Het vermoeden bestaat dan ook, dat dassen zich ooit, net als zijn Noord Amerikaanse broer en net als de veelvraat, toelegde op het volgen van grote roofdieren. Dassen wachtten toen rustig af, totdat deze een prooi van formaat gedood hadden, om vervolgens in actie te komen.
Zijn huidige menu bestaat uit (in volgorde van belangrijkheid):

De das is een opportunist en past zich aan aan het aanbod, dat per seizoen en streek varieert. Zo bestaat in september en oktober een groot deel van het dagelijks menu uit mais en valfruit. Ook in die periode eten ze veel insectenlarven, die dan vlak onder het mailveld leven. Vooral in de wintermaanden, wanneer het niet vriest, bestaat het grootste deel van zijn voedsel uit regenwormen.
In de winterperiode is het voedselaanbod minimaal, zeker tijdens vorstperiodes. Dassen blijven dan soms dagen lang in hun hol en teren op vetreserves die ze in het najaar hebben opgebouwd.
De belangrijkste voedselbron van dassen zijn regenwormen, die als ‘stapelvoedsel’ kunnen worden aangemerkt. Die regenwormen vinden zij het meest in vochtige, kort begraasde en bemeste weilanden. Wormen komen ’s nachts aan de oppervlakte. Dassen verlammen de wormen, die met hun gespierde achterlijf nog in de aarde steken, met een gerichte beet van hun hoektanden en slurpen ze dan als spaghetti naar binnen. In hoger gras verraadt de das zijn komst door de grassprieten die hij plat trapt. De wormen duiken dan tijdig onder. Een begraasde weide biedt ook koeienvlaaien. Droge vlaaien keert de das behendig om en ontdoet ze van insectenlarven en kevers.

In een ideaal dassenleefgebied kan de das het hele jaar door op korte afstand van zijn burcht zijn kostje bij elkaar scharrelen. Zeker voor een zogend vrouwtje is dit van groot belang, omdat ze regelmatig naar de burcht terug moet keren om de jongen te voeden.

Een kaal langschap, waarin de das grote afstanden moet afleggen om voldoende voedsel te vinden, is dus bepaald niet ideaal. Wanneer het verzamelen van voedsel meer energie kost dan het oplevert, zal de das het voor gezien houden.

Dassen zijn nachtdieren, pas tegen de avondschemering komen ze tevoorschijn. Het tijdstip is mede afhankelijk van de locatie van de burcht. Op ongestoorde plaatsen komen dassen vroeger tevoorschijn.
Hun gezichtsvermogen is niet bepaald ideaal voor hun nachtelijk bestaan. Vooral ’s nachts zien ze slecht met hun kleine oogjes. Maar ruiken kunnen ze des te beter.
Na hun nachtelijke voedseltochten keren ze tegen de schemering terug in hun burcht.

Dassen worden weliswaar tot de nachtdieren gerekend, maar van origine zijn ze vermoedelijk dagdieren. Waarschijnlijk zijn ze door hardnekkige vervolging en voortdurende verontrusting gedwongen tot een nachtelijke leefwijze. Maar ook de dominante landbouwcultuur, die zich zo’n 7000 jaar geleden over Europa begon te verspreiden, dwong de das zijn leefwijze aan te passen. In die tijd zal zijn voedsel veranderd zijn. Regenwormen namen in bemeste weilanden hand over hand toe en er werd graan en fruit verbouwd. Voor regenwormen moet je echt ’s nachts op pad, als vocht of regen deze dieren naar de oppervlakte brengen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

zintuigen


Met hun kleine oogjes kunnen dassen 's nachts relatief slecht zien, overdag redelijk.
Horen gaat al een stuk beter, hoewel ze hun oren niet kunnen richten, zoals boommarters, katten of vossen.
Maar gelukkig maakt hun formidabel reukvermogen een hoop goed.
Dassen leven dan ook voornamelijk in een wereld van geuren. Die geuren vertellen hen alles over hun soortgenoten, zijn eten en gevaar.
De ventilatiekokers, die de das in zijn burcht aanbrengt, dienen behalve voor de aanvoer van frisse lucht, ook voor informatie van buiten, nog lang voordat de das ’s avonds de burcht verlaat. Is de lucht veilig, dan loopt de das naar de uitgang. Op de drempel snuift hij nog eens aandachtig. Daarna tast hij, vaak zittend op de stortberg bij de ingang, de omgeving verder af. Zijn ogen komen daarbij ook van pas en de oren staan voordurend op scherp. Maar het belangrijkst blijft de neus. Ruikt hij iets verdachts, dan haast hij zich meteen weer naar binnen, soms struikelend over zijn eigen poten. Wanneer er tot twee dagen geleden een hond of een mens op de burcht is geweest, kan de das dat feilloos ruiken.

Dassen brengen zelf ook geuren aan met een muskklier onder de staart. Die klier produceert een sterke musk-achtige geurstof, die voor dassen zeer lang waarneembaar blijft. Overal waar de das gaat zitten laat hij een geurstempel achter. Tijdens zijn tochten smeert de das regelmatig musk op stenen, struiken of veelgebruikte paden.
In ongestoorde situaties kunnen verlaten dassenpaden (‘wissels’) zo na jaren van afwezigheid worden teruggevonden.
Dassen hebben een eigen privé-geurtje. Dassen bemusken elkaar binnen een familie voortdurend, zodat er een soort familiegeur ontstaat, waaraan ze elkaar meteen herkennen. Buitenstaanders worden op hun geur dus onmiddellijk herkend.

Ook de grenzen van het territorium worden met geur aangegeven.
De drolletjes van de das worden automatisch voorzien van de musk geurstof door geurklieren in de anus. Langs de randen van hun territorium graven de dassen ondiepe gaten (ca tien centimter diep) waarin ze hun bemuskte uitwerpselen deponeren. Deze ‘mestputjes’ of ´latrines´ laten de dassen blijvend onbedekt en ze maken andere dassen duidelijk waar de grenzen van de territoria liggen. Die mestputjes vindt je vooral daar waar verschillende  dassenterritoria aan elkaar grenzen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Sociaal leven

 

 

 

 

 

Voor de das geldt; ’hoe meer zielen hoe meer vreugd’. Naast eten en een sterke binding aan de burcht is de hechte band tussen dassen onderling een belangrijke levensvoorwaarde. In Nederland zijn er geen dieren met een sterkere en blijvender familietrouw.
Een mogelijke verklaring voor die sterke familieband is het gegeven dat dassen een zeer gevarieerd menu hebben en dat ze voedsel op verschillende plekken en tijdstippen moeten zoeken. Ze hebben dus een relatief groot territorium nodig, dat ze moeilijk in hun eentje tegen indringers kunnen verdedigen. In familieverband gaat dat een stuk beter.

Dassenfamilie
De samenstelling van een dassenfamilie (‘clan’) is afhankelijk van voedselaanbod en de bereikbaarheid daarvan.
In een voedselrijk gebied telt een clan tegen de zes volwassen dassen, vaak evenveel mannetjes als vrouwtjes. In de regel zijn er in de familie één of twee nesten jonge dassen.
In zo’n  gezin kunnen ook dassen, die vorig jaar geboren zijn (zogenaamde ‘jaarlingen’) rondlopen. Zolang ze niet in de weg lopen mogen ze blijven.
Meestal bezit de familie een hoofdburcht met bijbehorende wissel- en bijburchten en hier in daar in hun territorium vluchtpijpen. Vanuit deze burchten wordt het territorium bestreken.
Soms echter komt het voor dat dassen op twee afzonderlijke burchten het zelfde territorium delen en dus deel uitmaken van dezelfde clan. Dergelijke clans kunnen uitgroeien tot samenlevingsverbanden met een ongelofelijke grootte.
Veel dassenfamilies bestaan echter uit pa, ma, een paar jongen en wat jaarlingen.

Rangorde
Binnen een normale dassenfamilie heerst een zekere rangorde. Meestal zijn oudere mannetjes de baas, maar ook vrouwtjes kunnen deze rol vervullen.
Dassen, die het wagen te twijfelen aan het gezag van de hogere in rang, kunnen verwikkeld raken in serieuze, urenlang durende gevechten. Ze kunnen elkaar
daarbij flink toetakelen, waarbij vooral de oren maar ook de rug, nek staartwortel en neus het moeten ontgelden.
Dominante mannetjesdassen (beren) zijn vaak aan hun littekens te herkennen.
Wanneer een dominante das uiteindelijk van de troon wordt gestoten, wordt hij verjaagd en zal dan genoegen moeten nemen met een mogelijk ongeschikt leefgebied vol gevaren.
Jonge dassen en jaarlingen hebben weinig met die hiërarchie te maken en leiden een zorgeloos bestaan, waarin ze veel spelen en oefenen in graven.
Wanneer een jonge das al te baldadig wordt, is een stevige beet in de nek meestal voldoende om het dier op zijn plaats te zetten. De jonge das rolt zich dan snel op zijn rug met de pootjes in de lucht en houdt zich even doodstil. Dit voorkomt verdere afstraffing.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dassenburchten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dassen wonen onder de grond, niet in zomaar een hol; ze wonen in 'burchten', riante onderaardse kastelen.
De bouwkunst van de das is onze voorvaders ook al opgevallen. De naam ‘das’ stamt vermoedelijk van het Indo Germaanse woord ‘thachsa’, dat bouwen betekent.

De das is een echte bouwmeester. Bij voorkeur graven ze een hol in een steile helling, dan verloopt het afvoeren van de grond makkelijker. Ook de grondsoort is van belang bij de keuze van een hol; liefst goed vergraafbare grond, waarin bovendien regenwater snel wordt afgevoerd.
Dassen bouwen hun burchten bij voorkeur in bosranden of houtwallen, in de buurt van gras of akkerland en water.

Het aantal gangen (‘pijpen’) en holen (‘kamers’) van een dassenburcht varieert.
Veel bezitten slechts een paar gangen en twee of drie kamers, maar dat aantal kamers kan oplopen tot meer dan dertig. Dan worden het enorme bouwwerken met een uitgebreid netwerk van gangen en kamers.
Gangen komen uit dassenburchtop ‘rotondes’ en voeren naar kamers, verspreid over meerdere etages. Loodrecht omhoog gegraven ventilatieschachten zorgen voor de gewenste atmosfeer.
Deze bouwwerken groeien door de inspanningen van honderden generaties dassen uit tot burchtcomplexen met een oppervlakte van meerdere voetbalvelden.
De ovale gangen hebben een doorsnede van ongeveer 30 centimeter. De kamers hebben een doorsnede van 50 centimeter tot één meter.

 

De oudste bouwsels op aarde
In Schotland is bij archeologische opgravingen een dassenburcht ontdekt van 10.000 jaar oud, in Tsjechië zelfs een die 100.000 jaar oud zou zijn. Daarmee behoren dassenburchten naast termietenheuvels tot de oudste bouwsels op aarde.
Zeer bekend is een burcht in Bergharen. Deze burcht staat bekend als de ‘Honderd-holenburcht’ en wordt zelfs in buitenlandse literatuur genoemd als de grootste van Europa. Helaas is deze burcht deels afgegraven en jarenlang benut als motorcrossterrein.
Dassen zitten er niet meer en van de burcht is weing meer terug te vinden.

Uitstekende graver
Voor het graafwerk is de das toegerust met zeer sterk ontwikkelde en gespierde voorpoten. In zand graaft hij met het grootste gemak, maar ook andere grondsoorten kan hij de baas. Met zijn drie centimeter lange nagels werkt hij zich door leem, klei en mergel. Brokstukken tot twee kilo kan hij loswerken en naar buiten brengen. Met zijn stevige achterpoten en achterwerk duwt de das het losgewerkte materiaal naar buiten.
Zo ontstaan de opvallende stortbergen bij de uitgangen van de burcht.
Kenmerkend zijn de afvoergeulen, die vanuit de uitgang van de burcht naar het eind van de stortbergen leiden. Zorgvuldige afvoer via deze geulen voorkomt, dat bij zware regenval het puin in de burcht terugspoelt.
In nog geen tien jaar kan één simpel hol uitgroeien tot pakweg twaalf holen, maar burchten kunnen ook geen enkele groei vertonen.
Het ontstaan van compleet nieuwe burchten is in Nederland vrij uniek. Als in een bepaalde streek de dassenstand zich herstelt, zullen de aanwezige dassen eerst de oude verlaten burchten herbezetten.
Voor dassen is een oude burcht zelfs naar tientallen jaren leegstand nog als burcht herkenbaar en kan hij weer bewoond raken.

Onderhoud van de burcht
Dassen houden van een schone burcht. Ze gebruiken vers geurig nestmateriaal, dat ze regelmatig mee naar buiten nemen om te luchten.
Dassen leggen geen voedselvoorraden aan in de burcht, en poepen en urineren doen ze buiten de burcht.
Dassen brengen ongeveer tweederde van hun leven door in hun burcht. Ze besteden dan ook veel tijd aan onderhoud. Regelmatig worden nieuwe holen en kamers gegraven of oude hersteld. Vooral in de herfst grijpt de graafkoorts om das met nestmateriaalzich heen: Alle burchten krijgen een grote beurt. Alle rommel wordt naar buiten gewerkt. Daarna worden de kamers opnieuw gestoffeerd en geïsoleerd. Met hun voorpoten harken ze varens, mos, bladeren of gras bij elkaar. Ze rollen dit nestmateriaal tot een hanteerbare bol en verslepen die behendig tussen kop, borst en voorpoten achterwaarts mee naar huis.

Bijburchten
Een dassenfamilie verlaat soms voor kortere of langere tijd de hoofdburcht. Niet ver van die hoofdburcht ligt in de regel een tweede burcht. En op grotere afstand bezit de familie vaak meerdere kleine bijburchten en vluchtholen.
Zo’n ‘buitenverblijf’ is kleiner dan de hoofdburcht; het aantal pijpen is kleiner en de stortbergen zijn minder groot. Ze liggen in strategisch opzicht in bepaalde seizoenen soms gunstiger ten opzichte van bepaald voedsel.
Langs de vaste paden (‘wissels’), in de beschutting van een houtwal, een bosrand of bijvoorbeeld een heg, graven dassen vluchtholen. Wanneer een das tijdens zijn voedseltochten wordt gestoord, weet hij vliegensvlug de dichtstbijzijnde vluchtpijp te vinden.

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jonge dassen

 

 

De zorg voor jonge dassen is de taak van de vrouwtjes.
Zij nemen de gehele zorg en opvoeding van de kleine dasjes voor hun rekening.
Dassen kunnen het hele jaar door paren, maar doen het bij voorkeur in de zomer. Het gaat gepaard met gegrom en geblaf, kan erg lang duren en wordt soms meerdere malen herhaald.
Na de bevruchting stopt de celdeling na een paar maal en nestelen de vruchtjes zich pas in december in de baarmoederwand. Zes tot acht weken later worden de jongen geboren, meestal rond februari. Deze uitgetelde dracht voorkomt dat dassen geboren worden op tijdstippen met weinig voedselaanbod.

Drachtige wijfjes richten een speciale kraamkamer in, bekleed met zacht en droog plantaardig materiaal. Hierin worden meestal twee of drie, hooguit vijf jonge geboren.
De jonge dasjes zijn slechts tien centimeter lang en nog dun behaard met een donzig wit pelsje. Na een maand gaan hun oogjes open en is
hun vachtje helemaal op kleur.

Na een week of acht nemen ze voor het eerst een kijkje boven de grond, gewoonlijk onder begeleiding van moeder. Na drie maanden klauteren ze al behendig in boomstronken en rennen ze rond een speelboom in de nabijheid van de burcht. Ook beginnen ze zelf te wroeten in de bodem opzoek naar kevertjes en larven. Nog iets later gaan de jongen met moeder mee op expeditie. Ze leert haar jongen over het landschap en de voedselbronnen.


speelboom


Begin juli gaan de jonge dassen voor het eerst zonder ouderlijk toezicht op pad.
Wanneer er onvoldoende voedsel te vinden is kan het wijfje tot in augustus doorgaan met zogen.
Tegen de herfst zijn de jonge dassen zelfstandig en sommigen verlaten hun geboorteplek. Zeker als er weinig voedsel beschikbaar is zette de ouders hun jongen aan te vertrekken.
Vaak blijven de jongen bij de ouders overwinteren alvorens hun eigen weg te gaan.
jong dasje van een week of zes


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Sporen

 

Een das laat zichzelf niet zo makkelijk zien. Voor het vaststellen van de aanwezigheid van dassen zul je dan ook voornamelijk af moeten gaan op sporen.

Dassenwissels
Dassen verplaatsen zich lang vaste routes, zogenaamde ‘dassenwissels’. Dassen herkennen die paden door een geurspoor dat ze dankzij hun uitstekende neus feilloos terug weten te vinden. Als mens zul je je moeten behelpen met de visuele kenmerken van zo’n wissel. Afhankelijk van het aantal dassen dat van de wissel gebruik maakt, de bodemgesteldheid en de versheid van de sporen, is zo’n wissel herkenbaar als een min of meer platgetreden smal pad. Wanneer zo’n wissel onder laaghangend prikkeldraad doorloopt, blijven er vaak wat karakteristieke dassenharen achter.


Soms liggen er op een dassenwissel restanten van nestmateriaal, dat de * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *das naar zijn nest vervoerd heeft, * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *** * * * * * * *zogenaamde ‘sleepsporen’.

in vers gevallen sneeuw is een dassenwissel wel erg makkelijk terug te vinden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Prentendassenprent
Met een beetje geluk vindt je op een dassenwissel of bij een burcht een pootafdruk van een das, een zogenaamde ‘dassenprent’. Deze dassenprenten zien er het zelfde uit als van een beer, maar dan kleiner. Ze zijn dan ook in Nederland niet te verwarren met die van een ander dier. Bij een goede afdruk zijn de vijf teenkussentjes en de vijf lange nagels goed zichtbaar. Op hardere ondergrond zijn de duimnagel en het duimkussentje soms niet goed te zien.

Een pootafdruk van de voorpoot van een volwassen das is tussen de 50 en 55 millimeter breed en 50 millimeter lang (gemeten zonder nagelafdrukken).

De achterpoot is tussen de 35 en 45 millimeter breed en  45 millimeter lang.
De prenten van een jonge das kunnen verward worden met die van een kat.

Dassenharen
Dassenharen, die je soms in prikkeldraad of bij een burcht kunt aantreffen, zijn ongeveer zeven centimeter lang. Vanaf de wortel eerst vier centimeter wit, dan twee centimeter zwart en tenslotte een wit puntje.  Een dassenhaar is sterk en niet makkelijk kapot te trekken. Deze haren geven de das een overwegend grijs uiterlijk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mestputjes en snuitputjes
Op plaatsen waar een das naar voedsel speurt, laat hij vaak zogenaamde ‘snuitputjes’ achter. De das maakt ze met zijn voorpoot en wroet er daarna met zijn snuit in rond. Zo’n snuitputje is ongeveer tien centimeter in doorsnede en een paar centimeter diep.

Een andere karakteristieke aanwijzing voor de aanwezigheid van dassen zijn ‘mestputjes’.
Dit zijn zelf gegraven kuiltjes en zijn tien tot vijftien centimeter diep. In tegenstelling tot die van een kat blijven mestputjes van een das open.
Mestputjes vind je in de omgeving van de burcht en bij de foerageergebieden.
Dassen gebruiken ze ook om de grenzen van hun territorium mee aan te geven.
Vooral op plekken waar dassen actief zijn langs de grens van die verschillende territoria, bevinden zich vaak concentraties van mestputjes. Binnen een territorium van één dassenfamilie gebruikt een aanstaande moederdas soms mestputjes, om te zorgen voor de nodige privacy rond haar kraamburcht.

 

 

 

 

 

 

 

Dassenburcht
Een dassenburcht is herkenbaar aan de grote hoeveelheid naar buiten gewerkte aarde.
Een dassenhol lijkt enigszins op een vossenhol, maar de stortberg van een das is vaak hoger en ligt in een waaiervorm rondom de ingang.
Op een stortberg van een bewoonde burcht zijn vaak dassenharen te vinden, omdat dassen na het verlaten van hun burcht vaak even op de stortberg blijven zitten en hun vacht verzorgen.
Een dassenhol of dassenpijp is ovaal van vorm, breder dan hoog en ongeveer dertig centimeter breed. Na ongeveer één meter buigt de gang af, zodat je nooit diep in een dassenburcht kunt kijken.
Kenmerken zijn de ook afvoergeulen, die vanuit de uitgang van de burcht naar het eind van de stortbergen leiden.
Een das werkt het uitgegraven zand naar achteren, links en rechts van de afvoergeul, terijl een vos graaft als een hond. Die gooit het uitgegraven zand direct naar achteren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dassenvervolging

dassenklem


De basis voor het conflict tussen mens en das werd gelegd op het moment, dat de mens ervoor koos zich te vestigen op de plek waar de das al sinds vele eeuwen huisde. Het samen delen van de hoger gelegen en overstromingsvrije plaatsen was aanvankelijk niet zo'n probleem. Alleen bij hoog water, als de das zich bij gebrek aan beter te goed deed aan tamme hoenders en konijnen, liep het fout. De argeloze dassen ontdekten ook, dat de akkertjes, die de mensen met veel moeite wisten aan te leggen, lekkere granen leverden.

De zogenaamde schadelijkheid van de das werd allengs aangedikt en al snel werd de das afgeschilderd als een roofdier, dat louter uit bloeddorstigheid hele veestapels om zeep hielp.
De das kreeg de status van ongedierte, schadelijk wild.
De verhoudingen werden er niet beter op, toen de mens zich bepaalde wilde diersoorten ging toe-eigenen onder het mom van jachtwild. De natuurlijke vijanden van deze dieren werden als ‘schadelijk’ betiteld en samen met andere roofdieren en roofvogels werd de das vogelvrij verklaard.

De dassenstand kreeg harde klappen te verduren, maar kon dit eerst nog wel aan. In die tijd waren er nog voldoende ondoordringbare oorden, van waaruit dassen gebieden konden herbevolken, waar hun soortgenoten waren uitgemoord.
Anders werd het in de twintigste eeuw, toen het aantal Nederlanders sterk toenam en grote delen van het land werden ontgonnen.
De das werd nu overal als een probleem ervaren en de bestrijdingsmiddelen werden steeds daadkrachtiger ingezet.
In Zuid-Limburg, met name de Mijnstreek, groeide de dassenjacht uit tot een waar volksvermaak.

Dassengevechtendassentang
Praktisch ieder dorp had een gilde, dat zich met de dassenjacht bezig hield. De gildebroeders droegen als vaandel twee aan elkaar verbonden stokken met een jute zak ertussen.
Met behulp van bullterriërs en lange dassentangen werd de hevig tegenstribbelde das gevangen en in zo’n jutezak gestopt, die met stokken kon worden gesloten. Stevig ingesnoerd werd de das naar huis gebracht, om voor de verzamelde leden van de dassenclub te moeten vechten tegen honden. Om te voorkomen dat de opgehitste honden te zwaar zouden worden toegetakeld, werd de das met een tang van zijn hoektanden en nagels ontdaan en soms werden zelfs zijn ogen uitgestoken.
In Zuid-Limburg werd tot 1960 toe dassenvlees op straat verhandeld en zelfs tegenwoordig zijn er onderhands nog steeds potjes dassenvet te koop. Dassenvet werd geacht een
geneeskrachtige werking te hebben op allerlei mijnwerkerskwalen.

Ron 1990 werden op de Sint-Jansberg bij Mook dassen uitgegraven en levend meegenomen. De jongen lagen doorgebeten op de burcht even buiten het diepe gat dat er gegraven was. 

Klemmen en strikken
Ook buiten Limburg werd de das meedogenloos vervolgd. Daar werd de jacht voornamelijk beoefend met strikken, klemmen en geweren. 
Strikken werden geplaatst op een dassenwissel. De das raakte verstrikt en stierf vaak met diepe vleeswonden, pas na een dagenlange doodsstrijd .
Ontwortelde, van schors ontdane of zelfs geheel ondergraven bomen markeerden jaren later nog de plek, waar een das zich wanhopig had geprobeerd te bevrijden.
Ook klemmen werden op wissels geplaatst met voor de das eenzelfde resultaat.

In 2003 werd bij Overasselt door Das&Boom een zogende das gered, die in een weiland beklemd zat onder prikkeldraad. Aan haar buik hing een klem, waarvan de bevestiging was losgeraakt. De jongen stierven de hongerdood, de das heeft het drama overleefd, omdat de klem slechts oppervlakkig vastzat. Ze kon naar een paar maanden revalidatie bij Das&Boom weer worden uitgezet.

Jacht
’Humaner’ was de jacht met een geweer, als de jager tenminste raak schoot en geen hagel gebruikte. Hagelkorreltjes doden een das niet meteen; jagers beweren dat de doodskreten van een das door merg en been gaan. Voor enkelen was deze ervaring voldoende om nooit meer ‘op de das’ te gaan.
De das werd lange tijd intensief bejaagd onder het mom van zijn zogenaamde schadelijkheid; de hier al duizenden jaren wonende das zou alle op de grond broedende vogels opvreten, liet geen konijn over, roofde kippenhokken leeg en vergreep zich aan de fazant. Bovendien “waren er toch teveel”, en “teveel is nooit goed”.
Toch waren er ook jagers, die zich het lot van de das aantrokken. Dat de das bij de wijziging van de jachtwet in 1947 beschermd is verklaard, is namelijk niet in de laatste plaats een gevolg van een verzoek van de jagers zelf.

Uitgraven van burchten

Een efficiënte maar tijdrovende manier om dassen te vangen, was het uitgraven. Zo kon je een hele familie in één keer vangen.
Men maakte gebruik van hondjes, die door hun geblaf onder de grond aangaven waar de dassen zaten. Men kon dan gericht graven terwijl de honden de dassen bezig hielden.
Soms duurde het dagen voordat de dassen gevangen waren.
Er werd ook veel met vergiftigd aas gewerkt. Als gif diende strychnine, waarmee het aas werd ingespoten. Een das die dat aas opat, raakte niet lang daarna verlamd en stierf een pijnlijke dood.
In Frankrijk worden momenteel nog steeds dassenburchten uitgegraven, er worden zelf wedstrijden georganiseerd in het opgraven van dassen (‘concours de déterrage de blaireaux’).

Vergassen
 Vergassen van dassen gebeurde in Nederland meestal met behulp van een tractor. De uitlaatgassen werden via een slang de burcht ingepompt, nadat de andere holen zorgvuldig werden afgesloten. Ook met rook, water of gier werden de dieren uit hun burcht gedreven, om bovengronds te worden afgeslacht.
Dassen werden zelfs hun hol uitgeblazen met carbid. Zo werden op landgoed Heyendaal bij Nijmegen, om plaats te maken voor de universiteit, de laatste dassen met behulp van carbid uit hun burcht geblazen. Dit gebeurde, nadat klemmen, strikken en zelfs zwavelzuur niet het gewenste resultaat hadden. Na afloop hingen de dassen in de bomen, aldus een ooggetuige.

In 1980 vond de voorzitter van Das&Boom, Jaap Dirkmaat, een verroeste dassenstrik bij Bergharen, op een plek, waar al dertig jaar lang geen das meer was geweest. De strik stond nog op scherp. Toen hij probeerde het ding los te krijgen, kwam een oud mannetje in een overall de bult oplopen. Toen Jaap vertelde, waar hij mee bezig was, reageerde het mannetje met: “Nee, die mot je mooi laten staan, die staat daar veur de’n das”.
“Maar die zit hier helemaal niet meer”, wierp Jaap de man tegen.
“Dan staat ie er veur als ie kumpt”
“En dan?”
“Aan de riek steke, of een jerrycan benzine halen, er overheen gooien, lucifer er bij en klaar is kees. Dan hoef je hem niet eens aan te vatten”

Een ommekeer
Vanaf 1960 behoren de grote slachtingen in Nederland tot het verleden. Natuurbeschermers en jagers trachten, ieder op eigen wijze, bij te dragen aan de wederopbouw van de dassenpopulatie. Er waren massa’s dassen gesneuveld, maar hun burchten bleken op veel plaatsen nog intact. Er werden dassen uitgezet op verschillende locaties, waardoor een aantal verlaten burchten weer bewoond raakten. Dat ging niet altijd goed; zo werden op de Zuid-Veluwezoom uitgezette dassen door een jachtopzichter onmiddellijk  weer doodgeschoten.
Toch herstelde de dassenstand zich slechts zeer matig, omdat de uiteengeslagen dassenpopulatie nog maar een klein aantal versnipperde leefgebieden bewoonde. Deze eilandjes lagen te ver uiteen om zonder hulp aan elkaar te kunnen groeien.

dassenstand rond 1960

Strijd van Das&Boom voor de bescherming van de dasEcht herstel van de dassenpopulatie kwam echter pas vanaf 1990, toen de door Das&Boom afgedwongen voorzieningen als dassentunnels en de herintroductie van dassen door Das&Boom hun vruchten begonnen af te werpen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nieuwe bedreigingen

Wanneer na eeuwen van vervolging de lucht eindelijk lijkt op te klaren boven de das, dient zich een nieuw bedreiging aan; door de aanleg van wegen en drastische uitbreiding van dorpen en steden komt de das en zijn leefgebied steeds meer in de verdrukking.
Waar twintig jaar geleden nog een fraaie dassenburcht lag, omringd door een weidelandschap met heggen en houtwallen, staan nu rijtjes eengezinswoningen. Een straatnaambordje is het enige wat herinnert aan de oorspronkelijke bewoners.

Met name na 1960 hebben de bevolkingsgroei en toenemende welvaart een enorme aanslag gepleegd op het voormalig dassenleefgebied. Niet alleen woningen, maar ook  golfbanen, bungalowparken, sportvelden en bedrijventerreinen schoten als paddestoelen uit de grond.
Bij al deze ontwikkelingen is nauwelijks rekening gehouden met de belangen van de das en andere inheemse dieren. Die moeten zich nu via ‘ecologische verbindingszones’ van het ene dassenleefgebied naar het andere begeven. 
Ook wegenaanleg gaat gepaard met verlies van veel burchten en foerageergebieden.

Verkeersslachtoffers
Tegenwoordig sneuvelen er in Nederland jaarlijks ongeveer 700 dassen in het verkeer. Dat ligt deels aan het abominabel verkeersgedrag van de das zelf, maar vooral aan het dichte wegennet in Nederland. Vrijwel overal moeten dassen regelmatig wegen oversteken om vanuit hun burcht hun foerageergebieden te kunnen bereiken. Niet alleen op drukke verkeerswegen vallen slachtoffers, ook op stille zandweggetjes worden dassen doodgereden.
Afgezien van de slachtoffers die er door vallen, is ook de aanwezigheid van wegen in hun leefgebied voor dassen nadelig; wegen gaan ten koste van dassenleefgebied, wegen verstoren de dassen en wegen vormen vaak een barrière voor de dieren. Door wegen kunnen ze soms hun voedselgebieden niet meer of moeilijk bereiken of raken populaties van elkaar geïsoleerd.

De dassenpopulatie heeft veel te lijden door al die verkeersslachtoffers; niet alleen oude of zieke, maar ook kerngezonde dieren worden gedood. De dassenpopulatie heeft hierdoor een onnatuurlijke opbouw en is voortdurend instabiel. Dassen komen regelmatig plotseling zonder partner te zitten; sommige dassen maken dat zelfs meerdere malen in hun leven mee. Langdurige relaties, stabiele familieverbanden en permanente huisvesting zijn dan onmogelijk.
In Nederland heeft een das relatief weinig kans
te midden van familie en nakomelingen
van een rustige oude dag te kunnen genieten.

Andere gevaren
Kanalen met steile oevers vormen lange, onneembare hindernissen voor dassen. Wanneer ze er in springen, komen ze er niet meer uit. Wanneer er uittreedplaatsen worden aangelegd, is dat vaak niet aan de das besteed. Dassen zwemmen meestal niet langs de oever, maar op en neer van oever naar oever totdat ze van uitputting verdrinken.
Ook spoorlijnen leveren jaarlijks slachtoffers op, hoewel het aantal slachtoffers relatief klein is.

Ontgrondingen
De winning van zand, klei, grind en mergel, nodig voor wegen- en huizenbouw, gaat helaas gepaard met enorme schade voor het landschap. Met name de grootschalige ontgrondingen, zoals die in Noord-Brabant en Midden-Limburg zijn ten koste gegaan van tientallen dassenburchten en honderden hectaren foerageergebied.
Pas na veel fel gevoerde rechtzaken van de Vereniging Das&Boom kwamen er in de jaren  tachtig en negentig eindelijk compenserende maatregelen opgang, niet zelden door de Raad van State zelf afgedwongen.
Gelukkig zijn er ook ontgronders die geen Raad van State nodig hebben om rekening te houden met natuur en landschap. Zo worden in Noord-Limburg  heggen, houtwallen en ook boomgaarden en akkertjes aangelegd om de dassen hun verlies aan voedselgronden ‘terug te betalen’.

Eentonig cultuurlandschap
Dassen hebben geleerd in overwegend agrarische landschappen hun voedsel te vergaren.
In zo’n agrarisch cultuurlandschap gedijt de das uitstekend. Zo leven er even buiten Nijmegen op driehonderd hectare cultuurlandschap meer dassen (ca. 30) dan in de bijna vijfduizend hectare oerwoud in Bialowitza (ca.10) in Polen.

Vroeger verbouwden boeren op elk perceel iets anders, tegenwoordig is het vaak overal het zelfde. Rampzalig voor de biodiversiteit, net als de ruilverkavelingen, waarin tienduizenden kilometers waardevolle heggen en houtwallen verdwenen, riviertje en beken werden rechtgetrokken en allerlei niet- functionele kleine bosjes (‘overhoekjes’) verdwenen.
Daarmee verdween ook een enorme hoeveelheid aan knaagdieren, insecten, amfibieën, zaden, bessen en noten.
Terwijl dassen vroeger op korte afstand van hun burcht een graantje mee konden pikken van een zeer divers voedselaanbod, vindt de das nu uitgestrekte landerijen met nauwelijks variatie.
Aronskelk en daslook, een lekkernij voor de das, is vrijwel overal verdwenen
Om voedsel te bereiken steken ze nu kale akkers en weilanden hard rennend over en leggen hun latrines aan tegen de voet van een prikkeldraadpaaltje, het laatste object dat nog boven het gras uitsteekt.

De hedendaagse das moet dus meer moeite doen voor een kwalitatief minder maal. Het eenzijdig voedselaanbod komt de gezondheid van de dieren natuurlijk niet ten goede.
Hoewel de dassenstand zich getalsmatig dus behoorlijk heeft hersteld, zijn de leefomstandigheden voor dassen in Nederland alles behalve ideaal. Daar moet dus iets aan gebeuren:

Nederland weer mooi
In 2006 is de Vereniging Das&Boom op gegaan in de nieuwe Vereniging Nederlands Cultuurlandschap (met daarin de stichting Das&Boom).
Deze Vereniging zet zich in voor een herstel van een gevarieerd cultuurlandschap, met nieuwe heggen en houtwallen, mooi voor de mens en ideaal voor de das. Die krijgt daarmee een kleinschalig landschap terug, met een rijk en gevarieerd voedselaanbod en voldoende dekking.
Daarin gaat de das dan eindelijk weer, na eeuwen van vervolging en verschraling,  een ‘onbekommerd’ dassenleven tegemoet.

U kunt deze missie steunen, volg daarvoor onderstaande linknaar het VNC

 

 

Hieronder een video van Staatsbosbeheer van spelende jonge dassen in Drenthe

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nog meer over de das

Alles over de das in Nederland en de niet aflatende inspanningen van Das&Boom om dit dier er weer bovenop te helpen, kunt u lezen in de jubileumuitgave 'De das gered', die ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van Das&Boom is uitgegeven

bestellen?

 

 

 

 

Publicaties

Ga naar 'actueel/publicaties' voor nieuwsbrieven van Das&Boom, publicaties van Das&Boom en een selectie van relevante wetenschappelijke literatuur over recent verricht onderzoek aan dassen(populaties).