Hieronder vindt u reacties op het wetsontwerp Wet Natuur
Blekers natuurwet in strijd met internationale verdragen
Persbericht Das&Boom 28 oktober 2011
Das&Boom reageert vandaag op de concept Natuurwet van staatssecretaris Bleker.
Voorzitter Jaap Dirkmaat: ‘Wij dragen argumenten aan voor wakkere leden van de
Eerste Kamer en de Raad van State die dit ‘kookboek’ voor uitsterven nog kunnen keren. Deze kwaadaardige wet tast de basis van de natuurbescherming in Nederland
aan en probeert draconische bezuinigingen op natuurbeheer te legaliseren en te
legitimeren. Rijksverantwoordelijkheid en een failliete natuurboedel worden
afgeschoven op provincies, terreinbeherende instanties kapot bezuinigd en tal van
(internationaal) beschermde planten- en diersoorten zal geen enkele bescherming
geboden worden.’
Blekers nieuwe wet zal volgens het kabinet meer evenwicht brengen tussen economie en
ecologie. Das&Boom wijst erop, dat juist omdat het evenwicht in de afgelopen eeuw zoek
geraakt is, eenzijdig ten gunste van de economie, er strenge wetten nodig zijn om de
natuur te behouden. Wereldwijd staan circa 30.000 soorten planten en dieren op uitsterven.
In ons land alleen al zijn 650 soorten bedreigd!
Bleker wil van deze 650 soorten alleen die redden die in heel Europa op uitsterven staan.
Hierdoor vallen veel dieren en planten tussen wal en schip, omdat ze nauwelijks nog enige
bescherming krijgen in de nieuwe wet.
Zo gaat Bleker zwaar bezuinigen op het beheer in natuurreservaten, tussen 40 tot 60%. Als
Staatsbosbeheer straks daardoor gedwongen wordt het maaibeheer in haar gebieden sterk te
verminderen of zelfs te staken, lopen veel orchideeën gevaar uit te sterven. Blekers wet
biedt geen enkele bescherming meer voor alle orchideeënsoorten. Met deze wet effent
Bleker volgens Das&Boom de weg voor zijn draconische bezuinigingen op het
natuurbeheer en het daarmee gepaard gaande uitsterven van soorten, zonder daar nog
juridisch op gepakt te kunnen worden. Bovendien decentraliseerde hij de uitvoering van
zijn wet naar de provincies. 'Straks mogen twaalf 'Blekertjes' - zonder landelijk overzicht -
verder klungelen met onze bedreigde flora en fauna!', aldus Jaap Dirkmaat.
Reactie van de Stichting Das&Boom op het wetsontwerp Wet Natuur
28 oktober 2011
Geachte heer Bleker,
Inleiding
Bij brief van 6 oktober 2011 heeft u de stichting Das&Boom uitgenodigd om schriftelijk commentaar te leveren op het ontwerp van het wetsvoorstel voor de Wet Natuur (‘wetsvoorstel’) en de daarbij behorende memorie van toelichting. Namens de Stichting Das&Boom maak ik hierbij van deze gelegenheid gebruik, waarbij ik mij vooralsnog beperk tot enkele onderdelen van het wetsvoorstel die betrekking hebben op het beschermingsregime voor dier- en plantensoorten en hun leefgebieden. In uw brief stelt u namelijk dat het wetsvoorstel nauwkeurig en herkenbaar aansluit bij de internationale verplichtingen, terwijl dat inzake de soortenbescherming geenszins het geval blijkt te zijn. Hieronder wordt kort de kern van het commentaar van Das&Boom uiteengezet. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar bijlage 1 bij deze brief. Uitdrukkelijk behoud ik mij het recht voor om later nog aanvullend op het wetsvoorstel te reageren, waaronder in ieder geval op het schrappen van het regime voor beschermde natuurmonumenten en het ontbreken van afdoende handhavinginstrumenten.
Kern van het commentaar
Nederland heeft zich zowel in internationaal als in Europees verband gecommitteerd aan verplichtingen inzake soortenbescherming. Zo is Nederland partij bij het Biodiversiteitsverdrag, het Verdrag van Ramsar, het Verdrag van Bonn en het Verdrag van Bern en is Nederland gehouden aan de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Uit zowel de achterliggende doelstellingen van, als de concrete verplichtingen in al deze verdragen en richtlijnen, blijkt dat Nederland gehouden is de biodiversiteit in haar volle omvang en –daarmee- alle in Nederland voorkomende soorten en hun leefgebieden, te beschermen.
Aan het wetsvoorstel ligt dan ook een cruciale denkfout ten grondslag ten aanzien van de soortenbeschermingsverplichtingen waaraan Nederland zich in internationaal en Europees verband heeft gecommitteerd. Het wetsvoorstel gaat er namelijk –ten onrechte- vanuit dat slechts (de leefgebieden van) bepaalde soorten (actief) beschermd behoeven te worden. Ook worden taken op het gebied van soortenbescherming gedecentraliseerd, terwijl deze juist op landelijk niveau uitgevoerd zouden moeten worden.
Dat Nederland gehouden is alle in Nederland in het wild voorkomende dier- en plantensoorten en hun leefgebieden te beschermen komt in het Verdrag van Bern het meest concreet tot uitdrukking. Het Verdrag van Bern bepaalt dat Nederland (actief) de nodige maatregelen neemt om de populaties van alle soorten in levensvatbare (duurzame) staat van instandhouding te houden of brengen. Ook dient Nederland passende en noodzakelijk maatregelen te nemen in de vorm van wetten en voorschriften om de leefmilieus van alle in Nederland in het wild voorkomende dier- en plantensoorten te beschermen en om bedreigde natuurlijke leefmilieus in stand te houden. Voor bepaalde in de bijlage bij het verdrag genoemde soorten en hun leefmilieus geldt dat bijzondere aandacht en bescherming moet worden geboden. Voor deze strikt beschermde soorten geldt bovenop de algemene beschermingsverplichting derhalve nog een aanvullend beschermingsregime.
Niet alleen Nederland, maar ook de Europese Unie is partij bij het Verdrag van Bern. Dat betekent dat de Europese Unie gehouden is om het Verdrag van Bern om te zetten in Europees recht. Dat heeft zij gepoogd te doen door middel van de Vogel- en Habitatrichtlijnen, maar deze poging is helaas maar ten dele geslaagd. Zoals ook in de memorie van toelichting (p. 34 en 142/143) wordt erkend, dekken de richtlijnen de lading van het Verdrag van Bern namelijk niet geheel. Er bestaan zelfs grote verschillen, zowel ten aanzien van de te beschermen soorten en hun leefgebieden als ten aanzien van het beschermingsregime. Als Europese lidstaat is Nederland gehouden om de Vogel- en Habitatrichtlijnen om te zetten in nationaal recht. Voor zover de richtlijnen in overeenstemming zijn met het Verdrag van Bern, komt het Verdrag van Bern via deze richtlijnen, en vervolgens via de omzetting van deze richtlijnen in Nederlands recht, tot gelding. Daarbij geldt dat de richtlijnen altijd, zelfs op die punten waar zij letterlijk met het Verdrag van Bern overeenkomen, verdragsconform moeten worden geïnterpreteerd. Dit betekent dat Nederland bij de implementatie van de bepalingen van de Vogel- en Habitatrichtlijnen in nationaal recht, het Verdrag van Bern als uitgangspunt moet nemen. Het Verdrag van Bern moet, kortom, hoe dan ook in Nederlands recht worden omgezet. Een en ander betekent tevens dat (ook) de Habitatrichtlijnen Nederland verplicht om algemene bescherming te bieden aan alle soorten en daarnaast aanvullende bescherming aan bepaalde soorten. Een andere interpretatie van de Habitatrichtlijnen zou strijdig zijn met internationaal recht.
In het wetsvoorstel wordt echter alleen (en dan nog slechts gedeeltelijk) uitvoering gegeven aan de aanvullende beschermingsbepalingen uit het Verdrag van Bern (en de Habitatrichtlijn) terwijl de algemene beschermingsverplichtingen uit het Verdrag van Bern (en de Habitatrichtlijnen) ten onrechte geen plek gekregen hebben in het wetsvoorstel. Voor wat betreft het aanvullend regime geldt voorts dat in het kader van de uitoefening van de bevoegdheid om ontheffingen en vrijstellingen te verlenen, getoetst wordt of overtreding van de verbodsbepalingen leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Of de staat van instandhouding in het geding is, is een vraag die op landelijk niveau moet worden beantwoord. Indien deze taken, zoals beoogd in het wetsvoorstel, echter worden gedecentraliseerd, is van een beoordeling op landelijk niveau geen sprake meer. Daarmee is het wetsvoorstel niet alleen strijdig met internationaal (en Europees) recht, maar ook desastreus voor een aanzienlijk aantal (nu nog) in Nederland voorkomende soorten. Met het wetsvoorstel worden namelijk de inspanningen die de afgelopen decennia, ook in financiële zin, zowel door de overheid als door maatschappelijke organisaties, burgers en bedrijven zijn gedaan om (ernstig) bedreigde diersoorten voor uitsterven in Nederland te behoeden, in één keer volledig ongedaan gemaakt. Dat de biodiversiteit, die in Nederland ondanks die inspanningen nog steeds afneemt, als gevolg van het wetsvoorstel nog verder achteruit zal hollen, behoeft dan ook geen nader betoog.
Conclusie
In een poging strikt aan te sluiten bij de internationale verplichtingen en de zogenaamde ‘nationale koppen te snellen’, voorziet het wetsvoorstel ten onrechte niet in omzetting van verschillende verplichtingen uit verdragen en richtlijnen ten aanzien van soortenbescherming.
Om aan deze verplichtingen te voldoen dienst het wetsvoorstel zodanig te worden aangepast dat alsnog invulling wordt gegeven aan de algemene beschermingsverplichtingen uit de genoemde verdagen en richtlijnen. Ook ten aanzien van de aanvullende beschermingsverplichtingen behoeft het wetsvoorstel enkele aanpassingen (zie nader de bijlage) om conform internationaal en Europees recht te zijn.
Stichting Das&Boom is van mening dat het wetsvoorstel, indien dit onverhoopt tot wet zou worden verheven, als onrechtmatige wetgeving gekwalificeerd dient te worden. Stichting Das&Boom verzoekt u dan ook om het voorstel voor de Wet Natuur en de daarbij behorende memorie van toelichting aan te passen met inachtneming van deze schriftelijke reactie alvorens deze aan de Raad van State voor te leggen.
download deze reactie van Das&Boom inclusief de bijlages
Trouw, − 21/10/11
Kees Bastmeijer is hoogleraar natuurbeschermings- en waterrecht aan de Tilburg University. Chris Backes is hoogleraar bestuursrecht, Universiteit van Maastricht.
opinie Aandachtige lezing maakt helder dat er één kernprobleem is met de voorgestelde nieuwe natuurwet: de wet is niet uit te leggen. Niet aan rechtenstudenten, niet aan ondernemers en zeker niet aan kinderen. De nieuwe wet maakt veel inzet uit het verleden ongedaan en mist respect voor dieren.
Een uitgangspunt van de natuurwet is dat het Nederlandse natuurbeschermingsrecht niet verder mag gaan dan het Europese recht. Niet uit te leggen aan studenten die wij juist vertellen dat de Europese natuurwetgeving niet is bedoeld om het nationale recht geheel te vervangen: het gaat vooral om die zaken die beter op bovennationaal niveau geregeld kunnen worden. Aanvullend nationaal natuurbeschermingsrecht blijft noodzakelijk om natuurwaarden goed te beschermen. Door dat aanvullende recht te schrappen maakt Bleker van Nederland een achterblijver op het gebied van natuurbeleid.
Zo wil Bleker de waarden als weidsheid, ongereptheid, stilte en donkerte vannatuurgebieden als de Waddenzee, de Biesbosch en de Gelderse Poort geen bescherming meer bieden via het natuurbeschermingsrecht. Weliswaar kan het ruimtelijke ordeningsrecht een beschermende rol vervullen, maar dit spoor laat veel ruimte voor afwegingen en politieke invloeden. Lange termijnbescherming is dan minder gewaarborgd. Hoe moet dit worden uitgelegd aan de burger die juist deze bredere natuurwaarden zo waarderen?
80 dier- en 100 plantensoorten zullen hun beschermde status verliezen
Moeilijk uit te leggen is ook dat alleen nog de op relevante Europese en internationale lijsten geplaatste dier- en plantensoorten beschermd worden verklaard. Voor alle andere soorten vervallen de verboden op onder andere het verstoren, het vangen en het vernielen van voortplantings- en vast rust- en verblijfplaatsen. Maar liefst ruim 80 diersoorten (waaronder zeehond, das, vuursalamander en vele bedreigde vlinders) en zo'n 100 plantensoorten (waaronder parnassia en vele orchideeën) zullen met het voorstel hun beschermde status verliezen, zonder dat deze soorten zichzelf intussen beter kunnen redden. Al deze soorten zullen enkel onderwerp worden van een algemene zorgplicht en een verbod op opzettelijk doden.
Hoe leggen wij dit uit aan studenten die weten dat er in de praktijk vrijwel geen mogelijkheden zijn om zo'n veel te algemene zorgplicht te handhaven?
Hoe leggen we uit dat alle inzet, ook financieel, voor de bescherming van bijvoorbeeld dassenburchten slechts een tijdelijke investering betrof? En hoe leggen we uit dat tientallen soorten die straks hun beschermde status verliezen op een 'rode lijst' van bedreigde soorten staan? Artikel 8 van het Biodiversiteitsverdrag en andere verdragen eisen juist dat wij die soorten goed beschermen en herstel mogelijk maken. Opvallend is dat de lijn 'alleen wat Europees moet' niet gevolgd wordt bij onderwerpen waaraan het CDA in het verleden veel belang heeft gehecht.
Een voorbeeld is het mogen doden van bepaalde schadelijke diersoorten door landeigenaren zoals boeren. Het CDA-amendement in artikel 65 van de Flora- en faunawet dat het voldoende is dat schadedreiging érgens in een gebied van een wildbeheerseenheid (gemiddeld 5000 ha) dreigt, en dat ook voldoende is dat die schade pas volgend jaar mogelijk zal optreden, is ook opgenomen in de natuurwet.
Hoe leggen we uit dat overal de verschillen met het Europese recht worden geschrapt en een dergelijke 'CDA-riedel' letterlijk in artikel 3.12 van het voorstel is terug te vinden? En hoe leg ik ondernemers uit dat zij last blijven houden van het recht? De natuurdoelen die op grond van het Europese recht gehaa-ld moeten worden, worden door de plannen van Bleker juist minder goed bereikbaar. En wanneer de natuur er slecht voor blijft staan, blijven ondernemers last hebben van het recht: ieder mogelijk negatief effect leidt dan immers al snel tot onderzoeksplichten en juridische discussies.
Niet uit te leggen aan kinderen
Onze grootste zorg is dat het niet aan kinderen is uit te leggen. Snappen zij het dat edelherten, wilde zwijnen, grauwe ganzen en enkele andere diersoorten in de toekomst ook weer gewoon voor 'de fun' afgeschoten mogen worden? En hoe leggen we uit dat het opzettelijk verstoren van vogels niet langer verboden is wanneer dit het voortbestaan van de soort niet beïnvloed? En hoe leggen we het hen later uit? De essentie van duurzaamheid is dat we de soortenrijkdom ook voor toekomstige generaties laten voortbestaan. Zullen zij het begrijpen wanneer we veel bedreigde soorten uit Nederland laten verdwijnen omdat het van Europa niet hoefde?
Kees Bastmeijer is hoogleraar natuurbeschermings- en waterrecht aan de Tilburg University. Chris Backes is hoogleraar bestuursrecht, Universiteit van Maastricht. De auteurs zijn nauw betrokken bij de nationale discussie over de herziening van het natuurbeschermingsrecht door de rijksoverheid, ondermeer door lidmaatschap van adviescommissies.
De nieuwe Wet natuur mist elke wetenschappelijke basis
Bron: Fries dagblad
De wetgeving rond natuur wordt drastisch anders. Niet het belang van de natuur maar dat van de economie staat straks voorop. Waar is de wetenschappelijke basis voor de nieuwe wet?
Han Olff
Het kabinet-Rutte is op dit moment bezig met het compleet op de schop nemen van de wetgeving rond natuur. De nieuwe Wet natuur moet de opvolger worden van drie bestaande wetten op dit gebied: de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet. De regering heeft de voorgenomen tekst nu gepubliceerd. Tot 18 november 2011 kan iedereen die dat wil hierop reageren.
De bescherming van nu bestaande natuurgebieden blijft weliswaar grotendeels intact, maar de natuur buiten beschermde natuurgebieden wordt in belangrijke mate vogelvrij. Zo wordt de bescherming van 149 planten en diersoorten opgeheven, en wordt de wettelijke basis gelegd voor een nieuwe natuurvisie van dit kabinet. Deze visie gaat het huidige Natuurbeleidsplan uit 1990 vervangen, de basis van het natuurbeleid van de afgelopen twintig jaar met als zichtbaarste resultaat de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
Ik zal betogen dat de nieuwe wet, in tegenstelling tot zijn voorganger, elke wetenschappelijke basis mist en daarnaast ook nog contraproductief zal blijken te zijn. Goedkoop zal duurkoop blijken te zijn.
Vanaf nu gaat er wat dit kabinet betreft een nieuwe wind waaien: er zal volgens deze wet straks sprake zijn van ‘de integratie van dat (natuur)beleid met het algemene economisch beleid, de handelspolitiek, het landbouw- en visserijbeleid en het innovatiebeleid van het rijk’. In gewoon Nederlands: dit kabinet kiest ervoor dat natuurbelangen economische belangen zoals landbouw, visserij, en de uitbreiding van woonwijken en industrie niet langer mogen dwarszitten, vooral buiten de beschermde (Natura 2000) gebieden.
Plezierjacht
Praktische gezien betekent dit dat karakteristieke Nederlandse soorten als de smient en de kolgans voortaan weer geschoten mogen worden ten behoeve van plezierjacht (er zijn er immers genoeg van), en dat iedereen orchideeën mag gaan uitsteken om ze in z’n tuin te zetten zolang ze maar niet in een natuurreservaat staan. Ook mogen bijvoorbeeld vuursalamanders voortaan ten behoeve van het eigen terrarium gevangen worden, of mag een dierentuin een hele populatie boommarters of dassen wegvangen (alleen het bewust doden blijft verboden).
Natuurorganisaties als Natuurmonumenten, de Waddenvereniging en It Fryske Gea zullen dan ook ongetwijfeld op deze voorgenomen wet gaan reageren, gezien de trendbreuk met het verleden. Waarom reageer ik dan als wetenschapper op deze wet?
Dat doe ik omdat deze Wet natuur en de natuurvisie waar deze toe dreigt te leiden, elke wetenschappelijke basis mist. De EHS was wel duidelijk gebaseerd op twee belangrijke wetenschappelijke ideeën: eiland-biogeografische theorie en metapopulatie theorie. Beide voorspellen ze dat fragmentatie van landschappen en verkleining van natuurreservaten noodzakelijk tot een verlies van biodiversiteit leidt. Aangezien in de daarop volgende twintig jaar uitvoerig was bewezen dat beide theorieën klopten, was het goed dat deze theorievorming in 1990 zijn weg vond naar wetgeving en beleid.
Nu twintig jaar na dato het natuurbeleid en bijbehorende wetgeving weer op de schop gaat, zou te verwachten zijn dat daarbij gebruik wordt gemaakt van het voortschrijdend wetenschappelijke inzicht van de afgelopen periode. Daar is echter helaas niets van terug te vinden. Natuurbeleid en -wetgeving wordt teruggebracht tot een boekhoudkundige actie: we beschermen voortaan alleen die soorten en gebieden die we volgens Europese regels móéten beschermen. Feitelijk betekent dit twintig jaar terug in plaats van twintig jaar vooruit.
Dit negeren van nieuwe wetenschappelijke kennis voor wetgeving en beleid kan twee gronden hebben: óf het kabinet denkt dat er geen relevante nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen zijn die de moeite waard zijn om hun weg te vinden naar het beleid, en/of het kabinet denkt dergelijke kennis niet nodig te hebben omdat het simpelweg de politieke keuze maakt voor economie boven natuur. Beide redeneringen zijn naar mijn stellige overtuiging gebaseerd op een foute voorstelling van zaken.
Relevante en belangrijke nieuwe wetmatigheden heeft de wetenschap wél ontdekt de laatste twintig jaar: vooral het herkennen van zogenoemde ecosysteemdiensten. Natuur heeft veel meer waarde dan de enkele ‘door Europa verplichte’ kenmerken soorten die erin voorkomen. Er is aangetoond dat grootschalige landschappen en ecosystemen, met veel interacties tussen (vaak algemene) soorten, vaak een enorm economisch nut en maatschappelijke waarde hebben. Natuur is nodig onder meer voor de regulatie van ons klimaat, het tegengaan van overstromingen, de voorziening van schoon drinkwater, de onderdrukking van ziekten en plagen, het voorzien in recreatiemogelijkheden, handhaving van luchtkwaliteit, het opruimen van meststoffen, et cetera.
Steeds beter kunnen biologen, samen met economen en geowetenschappers, kritische waarden aangeven van het benodigde natuurlijk kapitaal wat dergelijke noodzakelijke ecosysteemdiensten mogelijk maakt. Helaas is het zo dat dit economische waarden oplevert waarvan de ruimtelijke en temporele schalen landsgrenzen, natuurreservaten en kabinetsperioden vaak overschrijden.
Goedkoop duurkoop
Als deze waarden echter ontkent worden, en natuurbehoud alleen gezien wordt als een aantasting van lokale economische belangen op korte termijn, zal goedkoop uiteindelijk duurkoop blijken te zijn. Waar we nu grote moeite betrachten om onze ‘systeem-banken’ met bijzonder veel belastinggeld overeind te houden, laten we onze ‘systeem-landschappen’ maar gewoon omvallen. Met echter hetzelfde resultaat: als je ze kwijt bent krijg je ze niet meer terug, of alleen tegen een veelvoud van wat het kost om wat er nu is te behouden.
Ook de Friezen zullen zich moeten afvragen of deze wetgeving en aankomend beleid een provincie oplevert waar ze uiteindelijk niet alleen in kunnen werken, maar ook in willen wonen én leven! Omdat veel van de uitvoering van het natuurbeleid op korte termijn op het bord van de provincie komt, is dit nu een extra actuele vraag.
* Han Olff is hoogleraar Ecologie en Natuurbeheer aan de Rijksuniversiteit Groningen
De natuur doet er niet meer toe
Nrc – 27-10-2011
En weer wordt er gesteggeld over de Hedwigepolder. Staatssecretaris Bleker (Landbouw en Natuur, CDA) hangt aan zijn nagels en nóg probeert hij uit te komen onder de gerechtvaardigde eisen van de Europese Commissie om de natuurschade van de verdieping van de Westerschelde te compenseren.
Het lijkt of Bleker niet weet wat hij aanmoet met het Nederlandse natuurbeheer en -behoud. Zijn nieuwe wet graait de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet bij elkaar en de som van die delen is negatief. De nieuwe wet bepaalt dat Nederland zijn natuur niet beschermt, tenzij Europese regelgeving dat afdwingt. Dat betekent dat hij Nederlandse belangen opgeeft als die elders in Europa op peil zijn: de grutto’s, kenmerkend voor Nederlandse weides, hoeven hier niet beschermd te worden, in Polen zijn er genoeg. Het is dus een wet die geen voorschriften stelt, maar de regels volgt. Het ministerie stuurde het concept naar „alle belangenorganisaties die met het natuurbeleid te maken hebben”. Iedereen, van jagers tot activisten voor een bepaalde soort, van landschapsbeheerders tot projectontwikkelaars, kan op een website zijn ei leggen. De staatssecretaris raapt op wat hem uitkomt. Hij dreigt de Europese samenwerking voor natuurbeheer uit te kleden en de natuur ondergeschikt te maken aan de agrarische sector en het bedrijfsleven. Economische belangen overwegen. Zo wil hij voorkomen dat natuurbelangenorganisaties bedrijfsvoering kunnen hinderen omdat die bijvoorbeeld soorten in gevaar brengt, milieukwaliteit aantast of landschapsschoon opoffert.
Komt Blekers Natuurwet er, dan zal dat leiden tot het onverantwoordelijk ver terugdringen van de natuurbescherming. Bleker reduceert het natuurbeheer tot iets wat vooral hinderlijk is. De natuur moet haar plaats weten, vindt hij, de ‘vooruitgang’ gaat voor. Dat de natuur per definitie weerloos is, is niet langer een reden om haar te behoeden voor bouwers en bedrijven die de spirituele en fysieke zin niet zien van planten, dieren en natuurschoon.
Er dreigt een toekomst waarin de natuur geen onderdeel meer is van het Nederlands erfgoed. We nemen afscheid van de natuur als bron van welzijn, noodzakelijk voor geestelijke en lichamelijke gezondheid. Dan geldt de natuur niet meer als universele waarde die respect afdwingt al was het maar omdat de mens er zelf deel van uitmaakt.
Dor is Blekers beleid dat geen initiatieven ontplooit en alleen maar terugdringt. Dat te beroerd is of, erger, te zwak om gedachten over dit onderwerp te ontvouwen die verder reiken dan instant gewin. Met staatssecretaris Bleker is de Nederlandse natuur aan de ‘heidenen’ overgeleverd – alhoewel, de heidenen bejegenen de natuur traditioneel met veel meer ontzag.


Reactie van Bleker op de consultatie
Moraalridders, 30 november 2011 (vanaf de 21e minuut)