Afgezien van de otter, die in Nederland is uitgestorven, gaat het met de overige marterachtigen in Nederland redelijk. Toch worden ook zij bedreigd in hun voorbestaan door aantasting en versnippering van hun leefgebied, het agrarisch cultuurlandschap.
Voor alle marterachtigen is de verbetering van hun biotoop, het herstellen van houtwallen en hagen van groot belang, iets waar de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap zich voor inzet.
De boommarter, (Martes martes) is fraaie roodbruine marter met een roomgele keelvlek. Hij lijkt erg op een steenmarter, die een witte keelvlek heeft en wat kleinere oren. De boomarter heeft gele randen langs de oren en is ongeveer zo groot als een (slanke) huiskat.
De boommarter beweegt zich uiterst behendig in bomen, klimmend en springend van tak naar tak en weet zo zelf een eekhoorn te vangen. Verder leven boommarters van muizen, vogels, eieren en insecten. In de nazomer eten ze ook bessen en paddenstoelen. De boommarter is vanaf de schemering actief en leeft solitair.
De boommarter leeft voornamelijk in bossen. In Nederland komt hij voornamelijk voor op de Veluwe. Naar schatting leven er nog maar ongeveer 350 boommarters in Nederland. De soort staat op de Rode lijst vermeld als kwetsbare soort.
Informatie over de leefwijze van de boommarter vindt u op op de site van het VZZ (Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming)
De Werkgroep Boommarter Nederland zet zich actief in om de boommarter te beschermen. Vrijwilligers verzamelen gegevens over het gebruik van slaap- en nestplaatsen. Met de vergaarde gegevens wordt getracht voorlichting te geven over terreinbeheer, waarbij zo goed mogelijk rekening gehouden wordt met de belangen van de boommarter. Boommarters hebben vooral behoefte aan goede slaap- en nestplaatsen en bescherming tegen het verkeer.
Opvang jonge boommarters
Zoals met veel jonge inheemse zoogdieren, is het niet verstandig aangetroffen jonge boommarters zomaar mee te nemen.
Zo diertje kan uit een nestboom gevallen zijn en nog niet in staat zijn om zelf weer teug te klimmen. Zodra de kust veilig is brengt de moeder- boommarter het jong dan weer terug naar het nest.
Wanneer u een mogelijk verlaten jong aantreft is het verstandig het niet aan te raken en na een paar uur terug te komen om te kijken of de situatie zich heeft opgelost.
Mocht dat niet het geval zijn, neem dan bij voorkeur eerst contact op met een deskundige, voordat u ingrijpt.
Voor advies kunt u contact opnemen met de Werkgroep Boommarters Nederland, het VZZ of de Stichting Das&Boom.
Wanneer het jong echt verlaten is, vaak doordat de moeder is doodgereden, kan het jong worden grootgebracht bij de Stichting Das&Boom.
Das&Boom vangt jaarlijks één à twee jonge boommarters op.
Tijdens de zoogperiode is contact met mensen onvermijdelijk. In de fase daarna probeert das&Boom de dieren in een ren te laten verwilderen. Daar leren ze ook om te gaan met levend voer.
Uiteindelijk worden die boommarters met behulp van een tijdelijke uitwen-ren uitgezet aan de rand van het boommarter leefgebied. Uitzetten gaat altijd in overleg en samenwerking met de Boommarterwerkgroep Nederland.

Uitwen ren van Das&Boom voor boommarters op locatie
De steenmarter (Martes foina) heeft en bruine vacht en een witte keelvlek. Hij lijkt erg op een boommarter, vooral jonge dieren zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden.
De steenmarter is ongeveer net zo groot als een huiskat.
Hij komt veel voor in de nabijheid van mensen en betrekken daar zolders, loze ruimtes tussen plafonds, schuren of stallen. Vroeger leefde hij vooral in in kleinschalige agrarische gebeiden, tegenwoordig ook in stedelijke gebieden. Hij is een zogenaamde ‘cultuurvolger’.
© Julius
Steenmarters zijn tussen de schering en zonsopgang actief, overdag slapen ze.
Door intensivering van de landbouw, jacht en verkeer heeft de steenmarterpopulatie zwaar te lijden gehad.
In Noord Nederland was de steenmarter in de jaren zeventig van de vorige eeuw praktisch verdwenen, de laatste jaren nemen hun aantallen weer toe, met name in Oost Nederland.
De steenmarter is net als alle andere marterachtigen streng beschermd.
Wanneer er sprake is van overlast door steenmarters binnenshuis, mag deze overlast alleen door een gecertificeerd medewerker van de gemeente worden aangepakt.
De steenmarter leeft van muizen, jonge konijnen, jonge vogels en insecten, maar eet ook vruchten zoals appel en peren, bessen en pruimen.
Informatie over de leefwijze van de steenmarter vindt u op op de site van het VZZ (Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming)
Steenmarters zijn ’s nacht actief en slapen overdag in dagrustplaatsen, die zich regelmatig dicht bij of in menselijke bebouwing bevinden.
Das&Boom heeft begin jaren 90 van de vorige eeuw een voorlichtingsfolder uitgebracht, waarin informatie gegeven werd hoe overlast van inwonende steenmarters op een diervriendelijk manier voorkomen kan worden.
Steenmarters zijn beschermd en mogen dus niet verstoord, laat staan gevangen worden. Inwonende steenmarters kunnen in sommige gevallen reële overlast veroorzaken. Tot voor kort kon deze overlast niet legaal en tegelijkertijd effectief bestreden worden.
Daarom ligt de verantwoordelijkheid voor de aanpak van steenmarteroverlast sinds 2002 bij de gemeente. Een gecertificeerd medewerker van de gemeente kan overlast op een diervriendelijk manier oplossen.
Vaak wordt een ontmoedigingsbeleid toegepast, waarbij het dier wordt aangezet de locatie te verlaten, waar hij overlast veroorzaakt. Het dier kan dan uitwijken naar een van de andere dagrustplaatsen in zijn territorium.
Folders over steenmarteroverlast:
Steenmarter in huis, wat nu?
informatieve voorlichtingsfolder over steenmarteroverlast, uitgave van de provincie Drenthe, tekst : provincie Drenthe i.s.m. Gerard Müskens (Alterra) en Henk v.d. Brink, Noordwolde
Last van een beschermd dier?
voorlichtingsfolder van het ministerie van LNV
Steenmarters in en om het huis; een uitgave van de Stichting Landschapsbeheer Gelderland

Wanneer uw gemeentes (nog) geen adequate hulp biedt bij steenmarteroverlast kunt voor deskundige hulp bij overlast contact opnemen met BDL/Bestra, die in vrijwel alle gevallen de overlast op een diervriendelijke manier kan oplossen. Deze organisatie werk voornamelijk in Limburg.

De otter (Lutra lutra) heeft een lang gestroomlijnd lichaam, goed aangepast aan het leven in het water. De otter is het grootst van de marterachtigen in Nederland, een mannetje kan wel 10 kg wegen. Otters hebben zwemvliezen en een ovaal afgeplatte staart, die ze tijdens het zwemmen als roer gebruiken.
Otters leven voornamelijk van vis, maar vangen ook o.a. watervogels, ratten en insecten.
© livejournal/mark@kyne.com
Ze zijn voornamelijk ’s nachts actief en leven solitair.
In de tweede helft van de jaren tachtig luidde Das&Boom de noodklok over het aanstaande uitsterven van de otter. Deze inzichten werden niet gedeeld door andere organisaties, die zich met de otter bezig hielden. Twee jaar later echter moest de minister de Tweede Kamer uitleggen, waarom er pas een beschermingsplan kwam voor de otter, nadat die was uitgestorven. De laatste Nederlandse otter werd in 1988 in Friesland doodgereden. Watervervuiling, jacht en de toenemende verkeersdruk is hem noodlottig geworden.
In 2002 zijn er voor het eerst weer een aantal otters uitgezet in de Weerribben in Overijssel.
De otter is in Nederland streng beschermd en staat in de Flora en faunawet in tabel drie, net als de das.
Informatie over de leefwijze van de otter vindt u op op de site van het VZZ

De bunzing (Mustela putorius) is te herkennen aan zijn koptekening, een witte kop met en donker masker rond zijn ogen. Hij is ongeveer even groot als een steenmarter, iets kleiner dan een huiskat.
Hij leeft in de nabijheid van water, vaak in kleinschalig agrarisch cultuurlandschap en woont in een hol in ruigtes, bossages en houtwallen.
De bunzing jaagt behendig op voornamelijk knaagdieren, kikkers, insecten en vogels, maar is ook een konijn de baas.
Hij jaagt voornamelijk ’s nachts met behulp van zijn
uitstekende oren en neus.
Er zijn geen nauwkeurige gegeven bekend over het aantal bunzingen in Nederland, omdat de bunzing voornamelijk ’s nachts actief is. Er zijn weinig zichtwaarnemingen. Hij komt wel in vrijwel het gehele land voor, zij het in afnemende aantallen.
De bunzing is pas sinds 1991 beschermd en valt in de Flora en Faunawet in tabel 1, hetgeen hem slecht een matige bescherming oplevert. Beter inzicht in het feitelijke aantal dieren zou hem waarschijnlijk een plaats in tabel 3 opleveren, met een daarbij horende veel betere bescherming.
Een herstel van hagen en houtwallen in het agrarisch cultuurlandschap, zoals het VNC voorstaat, zal de bunzingpopulatie geen windeieren leggen.
Meer iformatie over de leefwijze van de bunzing vindt u op op de site van het VZZ

De wezel (Mustela nivalis)is een stuk kleiner dan zijn familieleden, hij is zelfs het kleinste roofdier van Europa. Een vrouwtjeswezel weegt minimaal 40 gram, minder als een veldmuis. Mannetjes zijn vaak twee keer zo zwaar.
Ondanks zijn afmetingen is een wezel is een jager van formaat. Zo’n klein wezeltje weet zelfs een konijn te vangen.
Zijn menu bestaat verder voornamelijk uit knaagdieren, insecten, vogels en kikkers.
Die bejaagt hij ’s nachts èn overdag, waarbij hij voornamelijk gebruik maakt van zijn uitstekende reukvermogen. Overdag staan ze regelmatig op hun achterpoten de omgeving te verkennen.
De wezel heeft een roodbruine rug en een witte buik en bef. De scheiding tussen wit en bruin verloopt rafelig, dit in tegenstelling tussen de ongeveer gelijk gekleurde hermelijn, die een rechte afscheiding heeft. De staart is korter dan die van de hermelijn en geheel bruin.
Wezels komen in heel Nederland voor en voelen zich thuis in ongeveer hetzelfde biotoop dan de bunzing.
De wezelpopulatie heeft veel te lijden van aantasting van hun leefgebied, intensivering van de landbouw en verkeer. De wezel zou net als de andere marterachtigen zeer gebaat zijn bij een herstel van kleinschalige landschapselementen, zoals houtwallen en hagen. Sinds 1987 is de wezel beschermd. Voor de nieuw vast te stellen ‘Rode lijst’ wordt de wezel, net als de hermelijn, door het VZZ voorgedragen voor de categorie ‘gevoelig’.
Meer informatie over de leefwijze van de wezel vindt u op op de site van het VZZ
De hermelijn (Mustela erminea) lijkt op een wezel maar is duidelijk groter. De scheiding tussen de lichte buik en de bruine rug loopt recht en niet rafelig, zoals bij de wezel. De hermelijn heeft een langere staart met een zwart puntje.
In de winter kunnen hermelijnen helemaal wit worden, maar een Nederland is het daarvoor niet koud genoeg.
Nest als de wezel kan ook de hermelijn prooidieren de baas, die groter zijn dan hijzelf, zoals konijnen en hazen.
Hermelijnen zijn overdag en ‘s nacht actief.
De hermelijn woont in zeer verschillende gebieden, van polders tot bosgebieden. In vergelijking met de wezel houdt de hermelijn meer van vochtiger terrein.
© Sigmund Rise
De hermelijn wordt net als de andere marterachtige in Nederland bedreigd door de aantasting van zijn leefgebied, de toenemende verkeersdruk en het gebrek aan schuilmogelijkheden.
Informatie over de leefwijze van de hermelijn vindt u op op de site van het VZZ